Psalmen 35
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen!
1O SIGNORE, contendi con quelli che contendono meco; Guerreggia con quelli che guerreggiano meco.
2Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp;
2Prendi lo scudo e la targa; E levati in mio aiuto.
3Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: “Uw redding ben Ik!”
3E trai fuori la lancia, e serra il passo a quelli che mi perseguitano; Di' all'anima mia: Io son la tua salute.
4Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden.
4Sien confusi e svergognati quelli che cercano l'anima mia; Voltin le spalle, e sieno svergognati Quelli che macchinano del male contro a me.
5Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt;
5Sien come pula al vento, E caccili l'Angelo del Signore.
6Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet.
6Sia la via loro tutta tenebre, e sdruccioli; E perseguali l'Angelo del Signore.
7Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven.
7Perciocchè senza cagione hanno fatta una fossa nascosta, Per tendervi la lor rete; Senza cagione l'hanno cavata all'anima mia.
8Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil!
8Venga loro una sprovveduta ruina, E sieno presi colla lor propria rete che hanno tesa di nascosto, E cadano nella ruina che mi hanno apparecchiata.
9Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen;
9Allora l'anima mia festeggerà nel Signore, E si rallegrerà nella sua salute.
10En heel mijn gebeente zal zeggen: “Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!”
10Tutte le ossa mie diranno: O Signore, chi è pari a te, Che riscuoti il povero afflitto da chi è più forte di lui; Il povero afflitto, e il bisognoso, da chi lo spoglia?
11Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in.
11Falsi testimoni si levano; Mi domandano cose , delle quali non so nulla.
12Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan.
12Mi rendono male per bene; Rendono sconforto all'anima mia.
13En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart;
13E pure io, quando essi erano infermi, mi vestiva d'un cilicio. Ed affliggeva l'anima mia col digiuno, E la mia orazione mi ritornava in seno.
14Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder.
14Io andava attorno, come se fosse stato per un mio amico, ovver fratello; Io andava chino, e vestito a bruno, Come uno che faccia cordoglio di sua madre.
15Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden,
15Ma quando io son zoppicato, essi se ne son rallegrati, E si sono adunati insieme; Gente da nulla si è adunata contro a me, senza che io lo sapessi; Mi hanno lacerato, senza mai restare;
16Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij.
16Insieme con profani beffatori giocolari, Digrignando i denti contro di me.
17Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen!
17O Signore, infino a quando vedrai queste cose? Ritrai l'anima mia dalle ruine loro, L'unica mia d'infra i leoncelli.
18Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen.
18Io ti celebrerò in gran raunanza; Io ti loderò in mezzo d'un gran popolo.
19Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten.
19Non rallegrinsi di me quelli che mi son nemici a torto; Non ammicchino con gli occhi quelli che mi odiano senza cagione.
20Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk;
20Perciocchè non parlano giammai di pace; Anzi macchinano frodi contro a' pacifici della terra.
21Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien!
21Ed allargano la lor bocca contro a me, E dicono: Eia, Eia! l'occhio nostro ha pur veduto quello che desideravamo .
22Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij!
22O Signore, tu hai vedute queste cose ; non tacere; O Signore, non allontanarti da me.
23Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer.
23Risvegliati, e destati, per far mi ragione; Dio mio, e Signor mio, risvegliati per difendere la mia causa.
24Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen.
24O Signore Iddio mio, giudicami secondo la tua giustizia, E fa ' ch'essi non si rallegrino di me;
25Laat ze niet denken: “Ha, nu zijn wij tevreden!” Niet zeggen: “We hebben hem onder de voet!”
25E non dicano nel cuor loro: Ehi! anima nostra; E non dicano: Noi l'abbiamo trangugiato.
26Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan.
26Sieno svergognati e confusi tutti quanti Quelli che si rallegrano del mio male; Sieno vestiti di vergogna e di vituperio Quelli che si magnificano contro a me.
27Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!”
27Cantino, e rallegrinsi Quelli che hanno buona affezione alla mia giustizia; E dicano del continuo: Magnificato sia il Signore, Che vuole la pace del suo servitore.
28Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden.
28E la mia lingua risonerà la tua giustizia E la tua laude, tuttodì.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.