Psalmen 35
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen!
1耶和华啊,与我相争的,求你与他们相争! 与我相战的,求你与他们相战!
2Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp;
2拿着大小的盾牌, 起来帮助我。
3Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: “Uw redding ben Ik!”
3抽出枪来,挡住那追赶我的; 求你对我的灵魂说:我是拯救你的。
4Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden.
4愿那寻索我命的,蒙羞受辱! 愿那谋害我的,退后羞愧!
5Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt;
5愿他们像风前的糠, 有耶和华的使者赶逐他们。
6Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet.
6愿他们的道路又暗又滑, 有耶和华的使者追赶他们。
7Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven.
7因他们无故地为我暗设网罗, 无故地挖坑,要害我的性命。
8Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil!
8愿灾祸忽然临到他身上! 愿他暗设的网缠住自己! 愿他落在其中遭灾祸!
9Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen;
9我的心必靠耶和华快乐, 靠他的救恩高兴。
10En heel mijn gebeente zal zeggen: “Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!”
10我的骨头都要说: 耶和华啊,谁能像你 救护困苦人脱离那比他强壮的, 救护困苦穷乏人脱离那抢夺他的?
11Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in.
11凶恶的见证人起来, 盘问我所不知道的事。
12Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan.
12他们向我以恶报善, 使我的灵魂孤苦。
13En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart;
13至于我,当他们有病的时候, 我便穿麻衣,禁食,刻苦己心; 我所求的都归到自己的怀中。
14Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder.
14我这样行,好像他是我的朋友,我的弟兄; 我屈身悲哀,如同人为母亲哀痛。
15Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden,
15我在患难中,他们却欢喜,大家聚集。 我所不认识的那些下流人聚集攻击我; 他们不住地把我撕裂。
16Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij.
16他们如同席上好嬉笑的狂妄人向我咬牙。
17Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen!
17主啊,你看着不理要到几时呢? 求你救我的灵魂脱离他们的残害! 救我的生命脱离少壮狮子!
18Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen.
18我在大会中要称谢你, 在众民中要赞美你。
19Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten.
19求你不容那无理与我为仇的向我夸耀! 不容那无故恨我的向我挤眼!
20Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk;
20因为他们不说和平话, 倒想出诡诈的言语害地上的安静人。
21Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien!
21他们大大张口攻击我,说: 阿哈,阿哈,我们的眼已经看见了!
22Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij!
22耶和华啊,你已经看见了,求你不要闭口! 主啊,求你不要远离我!
23Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer.
23我的 神我的主啊,求你奋兴醒起, 判清我的事,伸明我的冤!
24Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen.
24耶和华—我的 神啊,求你按你的公义判断我, 不容他们向我夸耀!
25Laat ze niet denken: “Ha, nu zijn wij tevreden!” Niet zeggen: “We hebben hem onder de voet!”
25不容他们心里说:阿哈,遂我们的心愿了! 不容他们说:我们已经把他吞了!
26Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan.
26愿那喜欢我遭难的一同抱愧蒙羞! 愿那向我妄自尊大的披惭愧,蒙羞辱!
27Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!”
27愿那喜悦我冤屈得伸的欢呼快乐; 愿他们常说:当尊耶和华为大! 耶和华喜悦他的仆人平安。
28Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden.
28我的舌头要终日论说你的公义, 时常赞美你。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.