Psalmen 59
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding; “Verderf niet.” Een puntdicht van David, toen Saül het huis liet bewaken, om hem te doden. Red mij van mijn vijanden, o mijn God, Bescherm mij tegen mijn verdrukkers;
1DIO mio, riscuotimi da' miei nemici; Levami ad alto d'infra quelli che si levano contro a me.
2Bevrijd mij van de woestelingen, Verlos mij van de bloeddorstigen.
2Riscuotimi dagli operatori d'iniquità, E salvami dagli uomini di sangue.
3Want zie, ze belagen mijn leven, En geweldenaars grijpen mij aan;
3Perciocchè, ecco, han posti agguati all'anima mia; Uomini possenti si son raunati contro a me; Senza che vi sia in me, nè misfatto, nè peccato, o Signore.
4O Jahweh, ofschoon ik niets kwaads of verkeerds heb gedaan, En geen schuld er aan heb, lopen zij uit en wachten mij op. Sta op! Snel mij te hulp en zie toe,
4Benchè, non vi sia iniquità in me , pur corrono, e si apparecchiano; Destati per venire ad incontrarmi, e vedi.
5Jahweh der heirscharen, Israëls God! Ontwaak, om al die trotsaards te straffen, Spaar geen van die valse verraders!
5Tu, dico, Signore Iddio degli eserciti, Dio d'Israele, Risvegliati per visitar tutte le genti; Non far grazia a tutti quelli che perfidamente operano iniquità. (Sela.)
6Iedere avond komen ze terug. En lopen de stad rond, jankend als honden.
6La sera vanno e vengono; romoreggiano come cani, E circuiscono la città.
7Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: “Wie wil er wat horen!”
7Ecco, sgorgano parole colla lor bocca; Hanno de' coltelli nelle lor labbra; perciocchè dicono: Chi ci ode?
8Maar Jahweh, Gij lacht ze uit, En drijft met al die trotsaards de spot!
8Ma tu, Signore, ti riderai di loro; Tu ti befferai di tutte le genti.
9Mijn Sterkte, aan U klamp ik mij vast, Want Gij zijt mijn toevlucht, o God!
9Io mi guarderò dalla lor forza, riducendomi a te; Perciocchè tu, o Dio, sei il mio alto ricetto.
10Mijn God, uw goedheid trede mij tegen, En doe mij op mijn vijanden neerzien, o God.
10L'Iddio mio benigno mi verrà ad incontrare; Iddio mi farà veder ne' miei nemici quello che io desidero .
11Neen, spaar ze niet, opdat ze mijn volk niet verleiden; Maar doe ze vallen, en stort ze neer door uw kracht.
11Non ucciderli già; che talora il mio popolo non lo dimentichi; Falli, per la tua potenza, andar vagando; ed abbattili, O Signore, scudo nostro;
12Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken.
12Per lo peccato della lor bocca, per le parole delle lor labbra; E sieno colti per l'orgoglio loro, E perciocchè tengono ragionamenti di esecrazioni e di menzogne.
13Maak een eind aan hun woede, Maak een eind aan hun trots, Opdat ze erkennen, dat God heerst in Jakob Tot aan de grenzen der aarde.
13Distruggi li nel tuo furore; distruggi li sì che non sieno più ; E sappiano, che Iddio signoreggia in Giacobbe, Anzi fino alle estremità della terra. (Sela.)
14Laat ze terugkomen, iedere avond opnieuw, En door de stad lopen, jankend als honden,
14Vadano pure, e vengano la sera; romoreggino come cani, E circuiscano la città.
15Rondzwervend, om vreten te zoeken, En blaffen, wanneer ze niet vol zijn.
15Andranno tapinando per trovar da mangiare; Avvegnachè non sieno sazii, pur passeranno così la notte.
16Maar ìk zal uw almacht bezingen, Elke morgen uw goedertierenheid prijzen; Want Gij zijt mijn schuts, Mijn toevlucht in tijden van nood.
16Ma io canterò la tua potenza, E la mattina loderò ad alta voce la tua benignità; Perciocchè tu mi sei stato alto ricetto E rifugio, nel giorno che sono stato distretto.
17Mijn Sterkte, U wil ik loven; Want Gij zijt mijn toevlucht, o God, mijn genadige God!
17O mia forza, io ti salmeggerò; Perciocchè Iddio è il mio alto ricetto, l'Iddio mio benigno.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.