Psalmen 59
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Voor muziekbegeleiding; “Verderf niet.” Een puntdicht van David, toen Saül het huis liet bewaken, om hem te doden. Red mij van mijn vijanden, o mijn God, Bescherm mij tegen mijn verdrukkers;
1למנצח אל תשחת לדוד מכתם בשלח שאול וישמרו את הבית להמיתו הצילני מאיבי אלהי ממתקוממי תשגבני׃
2Bevrijd mij van de woestelingen, Verlos mij van de bloeddorstigen.
2הצילני מפעלי און ומאנשי דמים הושיעני׃
3Want zie, ze belagen mijn leven, En geweldenaars grijpen mij aan;
3כי הנה ארבו לנפשי יגורו עלי עזים לא פשעי ולא חטאתי יהוה׃
4O Jahweh, ofschoon ik niets kwaads of verkeerds heb gedaan, En geen schuld er aan heb, lopen zij uit en wachten mij op. Sta op! Snel mij te hulp en zie toe,
4בלי עון ירוצון ויכוננו עורה לקראתי וראה׃
5Jahweh der heirscharen, Israëls God! Ontwaak, om al die trotsaards te straffen, Spaar geen van die valse verraders!
5ואתה יהוה אלהים צבאות אלהי ישראל הקיצה לפקד כל הגוים אל תחן כל בגדי און סלה׃
6Iedere avond komen ze terug. En lopen de stad rond, jankend als honden.
6ישובו לערב יהמו ככלב ויסובבו עיר׃
7Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: “Wie wil er wat horen!”
7הנה יביעון בפיהם חרבות בשפתותיהם כי מי שמע׃
8Maar Jahweh, Gij lacht ze uit, En drijft met al die trotsaards de spot!
8ואתה יהוה תשחק למו תלעג לכל גוים׃
9Mijn Sterkte, aan U klamp ik mij vast, Want Gij zijt mijn toevlucht, o God!
9עזו אליך אשמרה כי אלהים משגבי׃
10Mijn God, uw goedheid trede mij tegen, En doe mij op mijn vijanden neerzien, o God.
10אלהי חסדו יקדמני אלהים יראני בשררי׃
11Neen, spaar ze niet, opdat ze mijn volk niet verleiden; Maar doe ze vallen, en stort ze neer door uw kracht.
11אל תהרגם פן ישכחו עמי הניעמו בחילך והורידמו מגננו אדני׃
12Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken.
12חטאת פימו דבר שפתימו וילכדו בגאונם ומאלה ומכחש יספרו׃
13Maak een eind aan hun woede, Maak een eind aan hun trots, Opdat ze erkennen, dat God heerst in Jakob Tot aan de grenzen der aarde.
13כלה בחמה כלה ואינמו וידעו כי אלהים משל ביעקב לאפסי הארץ סלה׃
14Laat ze terugkomen, iedere avond opnieuw, En door de stad lopen, jankend als honden,
14וישובו לערב יהמו ככלב ויסובבו עיר׃
15Rondzwervend, om vreten te zoeken, En blaffen, wanneer ze niet vol zijn.
15המה ינועון לאכל אם לא ישבעו וילינו׃
16Maar ìk zal uw almacht bezingen, Elke morgen uw goedertierenheid prijzen; Want Gij zijt mijn schuts, Mijn toevlucht in tijden van nood.
16ואני אשיר עזך וארנן לבקר חסדך כי היית משגב לי ומנוס ביום צר לי׃
17Mijn Sterkte, U wil ik loven; Want Gij zijt mijn toevlucht, o God, mijn genadige God!
17עזי אליך אזמרה כי אלהים משגבי אלהי חסדי׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.