Psalmen
Chapter 119
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Modern Hebrew Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Gelukkig, die onberispelijk zijn in hun wandel, En leven volgens Jahweh’s wet;
1אשרי תמימי דרך ההלכים בתורת יהוה׃
2Gelukkig, die op zijn vermaningen letten, Hem zoeken met geheel hun hart;
2אשרי נצרי עדתיו בכל לב ידרשוהו׃
3Zij ook, die geen ongerechtigheid plegen, Maar blijven leven naar zijn woord.
3אף לא פעלו עולה בדרכיו הלכו׃
4Gij zelf hebt uw bevelen gegeven, Opdat men ze trouw zou volbrengen;
4אתה צויתה פקדיך לשמר מאד׃
5Ach, mocht mijn gedrag zo onwankelbaar zijn, Dat ik uw inzettingen trouw onderhield.
5אחלי יכנו דרכי לשמר חקיך׃
6Dan zal ik nooit beschaamd komen staan, Als ik het oog richt op al uw geboden;
6אז לא אבוש בהביטי אל כל מצותיך׃
7Maar in oprechtheid des harten zal ik U danken, Als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.
7אודך בישר לבב בלמדי משפטי צדקך׃
8Ik houd mij vast aan uw bestel: Verlaat mij dan niet voor altoos!
8את חקיך אשמר אל תעזבני עד מאד׃
9Hoe kan een jongeman zijn reinheid bewaren? Door zich te houden aan uw woord!
9במה יזכה נער את ארחו לשמר כדברך׃
10Ik heb U met heel mijn hart gezocht, Laat mij nooit uw geboden verlaten;
10בכל לבי דרשתיך אל תשגני ממצותיך׃
11Ik bewaar uw bestel in mijn hart, Om nooit te zondigen tegen U.
11בלבי צפנתי אמרתך למען לא אחטא לך׃
12Geprezen zijt Gij, o Jahweh, Leer mij uw inzettingen kennen;
12ברוך אתה יהוה למדני חקיך׃
13Dan zal ik met mijn lippen verbreiden Al de voorschriften van uw mond.
13בשפתי ספרתי כל משפטי פיך׃
14Ik verheug mij over de weg, die uw vermaning mij wees, Meer dan over alle schatten;
14בדרך עדותיך ששתי כעל כל הון׃
15Uw bevelen wil ik overwegen, En op uw paden blijven letten;
15בפקדיך אשיחה ואביטה ארחתיך׃
16Ik wil mij aan uw wet verkwikken, En nimmermeer uw woord vergeten!
16בחקתיך אשתעשע לא אשכח דברך׃
17Laat uw dienstknecht leven, En ik zal uw woord onderhouden;
17גמל על עבדך אחיה ואשמרה דברך׃
18Neem de sluier van mijn ogen, Opdat ik de wonderen van uw wet aanschouwe.
18גל עיני ואביטה נפלאות מתורתך׃
19Al ben ik maar een zwerver op aarde, Verberg mij uw bevelen niet;
19גר אנכי בארץ אל תסתר ממני מצותיך׃
20Want mijn ziel wordt verteerd van verlangen Naar uw voorschriften, altijd door.
20גרסה נפשי לתאבה אל משפטיך בכל עת׃
21Gij bedreigt de hoogmoedigen, Vervloekt, die uw geboden verlaat;
21גערת זדים ארורים השגים ממצותיך׃
22Wend dan smaad en hoon van mij af, Want uw vermaningen neem ik ter harte.
22גל מעלי חרפה ובוז כי עדתיך נצרתי׃
23Al spannen ook vorsten tegen mij samen, Uw dienstknecht peinst over uw inzettingen na;
23גם ישבו שרים בי נדברו עבדך ישיח בחקיך׃
24Ja, uw bestel is mij een lust, En mijn berader.
24גם עדתיך שעשעי אנשי עצתי׃
25Reeds ligt mijn ziel aan het stof gekluisterd: Wek mij ten leven naar uw woord.
25דבקה לעפר נפשי חיני כדברך׃
26Mijn leven heb ik U open gelegd: Gij hebt mij gehoord, Leer mij thans uw inzettingen kennen;
26דרכי ספרתי ותענני למדני חקיך׃
27Onderricht mij, hoe ik naar uw bevelen moet leven, En ik zal uw wonderen vermelden.
27דרך פקודיך הבינני ואשיחה בנפלאותיך׃
28Mijn ziel kwijnt weg van ellende: Richt mij naar uw bestel weer op.
28דלפה נפשי מתוגה קימני כדברך׃
29Houd de weg der leugen ver van mij af, En schenk mij genadig uw wet;
29דרך שקר הסר ממני ותורתך חנני׃
30Ik heb de weg der waarheid gekozen, Uw voorschriften mij voor ogen gesteld.
30דרך אמונה בחרתי משפטיך שויתי׃
31Ik klamp mij aan uw vermaningen vast, Maak mij niet te schande, o Jahweh;
31דבקתי בעדותיך יהוה אל תבישני׃
32De weg uwer geboden zal ik bewandelen, Als Gij mijn hart maar verblijdt.
32דרך מצותיך ארוץ כי תרחיב לבי׃
33Leer mij, Jahweh, naar uw inzettingen leven, Opdat ik ze ten einde toe onderhoud;
33הורני יהוה דרך חקיך ואצרנה עקב׃
34Geef mij inzicht om uw wet te volbrengen, En met heel mijn hart te beleven;
34הבינני ואצרה תורתך ואשמרנה בכל לב׃
35Laat mij het pad uwer geboden betreden, Want dat is mijn vreugd.
35הדריכני בנתיב מצותיך כי בו חפצתי׃
36Neig mijn hart naar uw vermaningen, En niet naar gewin;
36הט לבי אל עדותיך ואל אל בצע׃
37Wend mijn ogen van de ijdelheid af, En laat mij leven naar uw woord.
37העבר עיני מראות שוא בדרכך חיני׃
38Doe uw bestel aan uw dienstknecht gestand, Dat Gij beschikt hebt voor hen, die U vrezen;
38הקם לעבדך אמרתך אשר ליראתך׃
39Wentel de smaad, die ik ducht, van mij weg, Want uw voorschriften blijven voortreffelijk.
39העבר חרפתי אשר יגרתי כי משפטיך טובים׃
40Zie, ik hunker naar uw bevelen, Laat mij door uw gerechtigheid leven!
40הנה תאבתי לפקדיך בצדקתך חיני׃
41Moge uw genade mijn deel zijn, o Jahweh, En uw heil naar uw bestel;
41ויבאני חסדך יהוה תשועתך כאמרתך׃
42Dan zal ik mijn lasteraars te woord kunnen staan, Want ik vertrouw op uw woord;
42ואענה חרפי דבר כי בטחתי בדברך׃
43Neem het woord der waarheid niet geheel uit mijn mond, Want ik wacht uw voorschriften af.
43ואל תצל מפי דבר אמת עד מאד כי למשפטך יחלתי׃
44Uw wet wil ik steeds onderhouden, Voor eeuwig en immer;
44ואשמרה תורתך תמיד לעולם ועד׃
45Dan zal ik ongestoord kunnen leven, Omdat ik naar uw bevelen vraag.
45ואתהלכה ברחבה כי פקדיך דרשתי׃
46Zelfs koningen zal ik van uw vermaningen spreken, En mij er nooit over schamen;
46ואדברה בעדתיך נגד מלכים ולא אבוש׃
47Ik zal mij aan uw geboden verkwikken, Die ik van harte bemin;
47ואשתעשע במצותיך אשר אהבתי׃
48Tot U zal ik mijn handen verheffen, En uw inzettingen overwegen.
48ואשא כפי אל מצותיך אשר אהבתי ואשיחה בחקיך׃
49Gedenk het woord, tot uw dienstknecht gesproken, En waarop Gij mijn hoop hebt gesteld;
49זכר דבר לעבדך על אשר יחלתני׃
50Dit is mijn troost in mijn ellende, Dat uw bestel mij het leven behoudt.
50זאת נחמתי בעניי כי אמרתך חיתני׃
51Al bespotten de bozen mij nog zo vijandig, Toch wijk ik niet af van uw wet;
51זדים הליצני עד מאד מתורתך לא נטיתי׃
52Ik blijf uw aloude voorschriften indachtig, En voel mij er door getroost, o Jahweh;
52זכרתי משפטיך מעולם יהוה ואתנחם׃
53Maar gramschap maakt zich van mij meester, Om de zondaars, die uw geboden verlaten.
53זלעפה אחזתני מרשעים עזבי תורתך׃
54Uw inzettingen ruisen als zangen mij tegen In het huis van mijn ballingschap;
54זמרות היו לי חקיך בבית מגורי׃
55Des nachts, o Jahweh, gedenk ik uw Naam, En volg uw vermaningen op;
55זכרתי בלילה שמך יהוה ואשמרה תורתך׃
56Want dit is mijn plicht: Dat ik uw bevelen volbreng.
56זאת היתה לי כי פקדיך נצרתי׃
57Gij zijt mijn erfdeel, o Jahweh: Ik heb beloofd, uw woord te volbrengen;
57חלקי יהוה אמרתי לשמר דבריך׃
58Van ganser harte zoek ik uw aanschijn, Wees mij genadig naar uw bestel.
58חליתי פניך בכל לב חנני כאמרתך׃
59Ik overleg bij mijzelf, welke weg ik moet gaan, En naar uw vermaningen richt ik mijn schreden;
59חשבתי דרכי ואשיבה רגלי אל עדתיך׃
60Ik haast mij, zonder ooit te talmen, Om uw geboden te onderhouden;
60חשתי ולא התמהמהתי לשמר מצותיך׃
61En al houden mij de strikken der bozen gevangen, Nooit vergeet ik uw wet;
61חבלי רשעים עודני תורתך לא שכחתי׃
62Midden in de nacht sta ik op, Om U voor uw rechtvaardige voorschriften te danken.
62חצות לילה אקום להודות לך על משפטי צדקך׃
63Ik ben de vriend van al, die U vreest, En die uw bevelen volbrengt;
63חבר אני לכל אשר יראוך ולשמרי פקודיך׃
64De aarde is vol van uw goedheid, o Jahweh, Leer mij maar uw inzettingen kennen.
64חסדך יהוה מלאה הארץ חקיך למדני׃
65Gij hebt uw dienstknecht wèl gedaan, O Jahweh, naar uw woord;
65טוב עשית עם עבדך יהוה כדברך׃
66Schenk mij een helder oordeel en inzicht, Want ik heb vertrouwen in uw geboden.
66טוב טעם ודעת למדני כי במצותיך האמנתי׃
67Eer ik vernederd werd, dwaalde ik af, Maar nu houd ik mij aan uw bestel;
67טרם אענה אני שגג ועתה אמרתך שמרתי׃
68Gij zijt goed en doet wèl: Leer mij dan uw inzettingen kennen.
68טוב אתה ומטיב למדני חקיך׃
69Onbeschaamden belasteren mij, Want van ganser harte neem ik uw bevelen in acht;
69טפלו עלי שקר זדים אני בכל לב אצר פקודיך׃
70Lomp als vet is hun hart, Maar ìk vind mijn vreugd in uw wet;
70טפש כחלב לבם אני תורתך שעשעתי׃
71En het was mij goed, te worden vernederd, Om uw vermaningen te leren verstaan;
71טוב לי כי עניתי למען אלמד חקיך׃
72Want de voorschriften van uw mond schat ik hoger, Dan duizenden in goud en zilver!
72טוב לי תורת פיך מאלפי זהב וכסף׃
73Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd, Geef mij ook inzicht, om uw geboden te kennen;
73ידיך עשוני ויכוננוני הבינני ואלמדה מצותיך׃
74Dan zien, die U vrezen, met vreugd op mij neer, Omdat ik vertrouw op uw woord.
74יראיך יראוני וישמחו כי לדברך יחלתי׃
75Ik weet, dat uw oordeel rechtvaardig is, Jahweh, En dat Gij mij naar verdienste kastijdt;
75ידעתי יהוה כי צדק משפטיך ואמונה עניתני׃
76Maar uw genade zij mij tot troost, Naar uw bestel voor uw knecht;
76יהי נא חסדך לנחמני כאמרתך לעבדך׃
77Uw ontferming dale op mij neer, en doe mij herleven, Want uw wet is mij een verkwikking.
77יבאוני רחמיך ואחיה כי תורתך שעשעי׃
78Schande voor de trotsen, die onverdiend mij verdrukken, Daar ik uw bevelen bedenk;
78יבשו זדים כי שקר עותוני אני אשיח בפקודיך׃
79Maar mijn vrienden mogen zijn, die U vrezen, En die uw vermaningen kennen;
79ישובו לי יראיך וידעו עדתיך׃
80Door uw inzettingen worde mijn hart zonder smet, Zodat ik niet beschaamd hoef te staan.
80יהי לבי תמים בחקיך למען לא אבוש׃
81Mijn ziel smacht naar uw heil, Ik vertrouw op uw woord;
81כלתה לתשועתך נפשי לדברך יחלתי׃
82Mijn ogen hunkeren naar uw bestel, En vragen: Wanneer brengt Gij mij troost?
82כלו עיני לאמרתך לאמר מתי תנחמני׃
83Al ben ik als een leren zak in de rook, Toch vergeet ik uw inzettingen niet.
83כי הייתי כנאד בקיטור חקיך לא שכחתי׃
84Ach, hoelang zal uw dienstknecht nog leven, En wanneer voltrekt Gij aan mijn vervolgers uw oordeel?
84כמה ימי עבדך מתי תעשה ברדפי משפט׃
85Onbeschaamden hebben mij kuilen gegraven, Want ze leven niet naar uw wet.
85כרו לי זדים שיחות אשר לא כתורתך׃
86Al uw geboden zijn waarachtig, Maar men vervolgt mij met leugens: Ach kom mij te hulp;
86כל מצותיך אמונה שקר רדפוני עזרני׃
87Men had mij haast van de aarde verdelgd, Toch had ik mij niet aan uw bevelen onttrokken;
87כמעט כלוני בארץ ואני לא עזבתי פקודיך׃
88Behoud mij in het leven naar uw genade, En de vermaningen van uw mond volg ik op!
88כחסדך חיני ואשמרה עדות פיך׃
89Uw woord blijft eeuwig, o Jahweh, Het staat vast als de hemel;
89לעולם יהוה דברך נצב בשמים׃
90Uw bestel houdt stand van geslacht tot geslacht, Staat vast als de aarde, die Gij hebt gegrond;
90לדר ודר אמונתך כוננת ארץ ותעמד׃
91En naar uw voorschriften blijven ze ook nu nog bestaan, Want het heelal is uw dienstknecht!
91למשפטיך עמדו היום כי הכל עבדיך׃
92Wanneer uw wet mij niet had verkwikt, Dan was ik in mijn ellende te gronde gegaan;
92לולי תורתך שעשעי אז אבדתי בעניי׃
93Nimmer zal ik dan uw bevelen vergeten, Want juist daardoor doet Gij mij leven.
93לעולם לא אשכח פקודיך כי בם חייתני׃
94Ik ben de uwe: Ach, kom mij te hulp, Want ijverig spoor ik uw voorschriften na;
94לך אני הושיעני כי פקודיך דרשתי׃
95De bozen loeren, om mij te verdelgen, Maar ik blijf uw vermaningen achten.
95לי קוו רשעים לאבדני עדתיך אתבונן׃
96Aan alles zie ik een eind, al is het nog zo volmaakt, Maar uw gebod is onbegrensd!
96לכל תכלה ראיתי קץ רחבה מצותך מאד׃
97Hoe lief toch heb ik uw wet, Ik overweeg ze de hele dag door!
97מה אהבתי תורתך כל היום היא שיחתי׃
98Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden zijn, Want het vergezelt mij voor eeuwig;
98מאיבי תחכמני מצותך כי לעולם היא לי׃
99Ik heb meer verstand dan al mijn meesters, Want ik denk over uw vermaningen na;
99מכל מלמדי השכלתי כי עדותיך שיחה לי׃
100En ik heb helderder inzicht dan de oudsten, Want ik neem uw bevelen in acht.
100מזקנים אתבונן כי פקודיך נצרתי׃
101Van alle slechte paden houd ik mijn voeten, Om uw woord te volbrengen;
101מכל ארח רע כלאתי רגלי למען אשמר דברך׃
102En van uw voorschriften wijk ik niet af, Want Gij hebt ze mij zelf onderwezen.
102ממשפטיך לא סרתי כי אתה הורתני׃
103Hoe zoet voor mijn gehemelte is uw bestel, Meer dan honing voor mijn mond;
103מה נמלצו לחכי אמרתך מדבש לפי׃
104Door uw inzettingen ben ik verstandig geworden, En haat dus ieder leugenpad.
104מפקודיך אתבונן על כן שנאתי כל ארח שקר׃
105Uw woord is een lamp voor mijn voeten, En een licht op mijn pad;
105נר לרגלי דברך ואור לנתיבתי׃
106Ik heb gezworen, en zal het gestand doen, Uw rechtvaardige voorschriften te onderhouden.
106נשבעתי ואקימה לשמר משפטי צדקך׃
107Ach, Jahweh, ik ga zo diep gebukt, Wek mij ten leven naar uw bestel;
107נעניתי עד מאד יהוה חיני כדברך׃
108Wil de offeranden van mijn mond aanvaarden, o Jahweh, En onderricht mij in uw geboden.
108נדבות פי רצה נא יהוה ומשפטיך למדני׃
109Al zweeft mijn leven in voortdurend gevaar, Toch vergeet ik nimmer uw wet;
109נפשי בכפי תמיד ותורתך לא שכחתי׃
110En al leggen de bozen mij strikken, Van al uw bevelen wijk ik niet af.
110נתנו רשעים פח לי ומפקודיך לא תעיתי׃
111Uw vermaningen blijven mijn erfdeel voor eeuwig, Want ze zijn de vreugd van mijn hart;
111נחלתי עדותיך לעולם כי ששון לבי המה׃
112En ik heb er mijn hart op gezet, Naar uw inzettingen te leven voor eeuwig en immer!
112נטיתי לבי לעשות חקיך לעולם עקב׃
113Ik haat halfslachtige wezens, Maar uw wet heb ik lief;
113סעפים שנאתי ותורתך אהבתי׃
114Gij zijt mijn schuts en mijn schild, Ik vertrouw op uw woord;
114סתרי ומגני אתה לדברך יחלתי׃
115Weg van mij, zondaars, Laat mij de geboden van mijn God onderhouden!
115סורו ממני מרעים ואצרה מצות אלהי׃
116Sterk mij naar uw bestel, opdat ik blijf leven, En laat mijn hoop niet worden beschaamd;
116סמכני כאמרתך ואחיה ואל תבישני משברי׃
117Stut mij, opdat ik worde gered, En mij altijd aan uw bevelen verkwikke.
117סעדני ואושעה ואשעה בחקיך תמיד׃
118Wie uw inzettingen verlaten, zijn U een gruwel, Want ze bedenken enkel leugens;
118סלית כל שוגים מחקיך כי שקר תרמיתם׃
119En als afval veracht Gij alle bozen op aarde, Daarom heb ik uw vermaningen lief.
119סגים השבת כל רשעי ארץ לכן אהבתי עדתיך׃
120Mijn lichaam beeft voor U van schrik, En ik ben bevreesd voor uw oordeel!
120סמר מפחדך בשרי וממשפטיך יראתי׃
121Een rechtvaardig oordeel hebt Gij geveld, Lever mij niet over aan mijn verdrukkers;
121עשיתי משפט וצדק בל תניחני לעשקי׃
122Uw woord blijve borg voor uw dienaar, Laat geen onbeschaamde mij kwellen.
122ערב עבדך לטוב אל יעשקני זדים׃
123Mijn ogen smachten naar uw heil, En naar uw rechtvaardig bestel;
123עיני כלו לישועתך ולאמרת צדקך׃
124Handel met uw dienstknecht naar uw genade, En leer mij uw inzettingen kennen;
124עשה עם עבדך כחסדך וחקיך למדני׃
125Ik ben uw dienstknecht: ach, geef mij verstand, Opdat ik uw vermaningen moge begrijpen.
125עבדך אני הבינני ואדעה עדתיך׃
126Het is tijd om te handelen, Jahweh: Men verkracht uw wet;
126עת לעשות ליהוה הפרו תורתך׃
127Daarom heb ik uw geboden lief, Boven goud en edel metaal;
127על כן אהבתי מצותיך מזהב ומפז׃
128Daarom richt ik mij naar al uw bevelen, En haat ik ieder leugenpad.
128על כן כל פקודי כל ישרתי כל ארח שקר שנאתי׃
129Uw vermaningen zijn wondervol, Mijn ziel neemt ze daarom in acht;
129פלאות עדותיך על כן נצרתם נפשי׃
130De openbaring van uw woord straalt licht van zich uit, En geeft wijsheid aan de eenvoudigen;
130פתח דבריך יאיר מבין פתיים׃
131En smachtend open ik mijn mond, Want ik hunker naar uw geboden.
131פי פערתי ואשאפה כי למצותיך יאבתי׃
132Keer U tot mij, en wees mij genadig, Naar uw beschikking voor hen, die uw Naam beminnen;
132פנה אלי וחנני כמשפט לאהבי שמך׃
133Richt mijn schreden naar uw bestel, En laat geen onheil mij treffen.
133פעמי הכן באמרתך ואל תשלט בי כל און׃
134Bevrijd mij van de verdrukking der mensen, Opdat ik trouw uw bevelen volbrenge;
134פדני מעשק אדם ואשמרה פקודיך׃
135Laat uw aangezicht stralen over uw dienstknecht, En leer mij uw inzettingen kennen.
135פניך האר בעבדך ולמדני את חקיך׃
136Stromen van tranen ontwellen mijn ogen, Omdat men uw wet niet beleeft.
136פלגי מים ירדו עיני על לא שמרו תורתך׃
137Rechtvaardig zijt Gij, o Jahweh, En ook uw voorschriften zijn volgens recht;
137צדיק אתה יהוה וישר משפטיך׃
138In gerechtigheid hebt Gij uw vermaningen gegeven, En in volledige trouw.
138צוית צדק עדתיך ואמונה מאד׃
139Ik word door ergernis verteerd, Omdat mijn vijanden uw woord vergeten;
139צמתתני קנאתי כי שכחו דבריך צרי׃
140Maar uw bestel is beproefd als in vuur, En uw dienstknecht heeft het lief;
140צרופה אמרתך מאד ועבדך אהבה׃
141En al ben ik maar klein en gering, Nooit wil ik uw bevelen vergeten.
141צעיר אנכי ונבזה פקדיך לא שכחתי׃
142Ongerept blijft uw gerechtigheid voor eeuwig en immer, En waarachtig uw wet;
142צדקתך צדק לעולם ותורתך אמת׃
143Al treffen mij nood en ellende, Uw geboden zijn mijn verkwikking.
143צר ומצוק מצאוני מצותיך שעשעי׃
144Uw inzettingen zijn rechtvaardig voor eeuwig; Onderricht mij er in, opdat ik blijf leven!
144צדק עדותיך לעולם הבינני ואחיה׃
145Ik roep met heel mijn hart: Jahweh verhoor mij! Uw inzettingen wil ik trouw onderhouden;
145קראתי בכל לב ענני יהוה חקיך אצרה׃
146Ik roep U aan: ach, kom mij te hulp, Om uw vermaningen te beleven.
146קראתיך הושיעני ואשמרה עדתיך׃
147Ik ben met mijn smeken de dageraad vóór, Want ik smacht naar uw woord;
147קדמתי בנשף ואשועה לדבריך יחלתי׃
148En mijn ogen voorkomen de nachtwake, Om op te zien naar uw bestel.
148קדמו עיני אשמרות לשיח באמרתך׃
149Hoor in uw goedheid mijn smeken, o Jahweh, En wek mij naar uw beschikking ten leven;
149קולי שמעה כחסדך יהוה כמשפטך חיני׃
150Mijn listige vervolgers zijn al nabij, Maar ze houden zich ver van uw wet;
150קרבו רדפי זמה מתורתך רחקו׃
151Maar Gij ook, Jahweh, zijt nabij, En waarachtig zijn al uw geboden;
151קרוב אתה יהוה וכל מצותיך אמת׃
152Van oudsher ken ik uw bevelen, Want Gij hebt ze gegeven voor eeuwig!
152קדם ידעתי מעדתיך כי לעולם יסדתם׃
153Aanschouw mijn ellende, en kom mij te hulp, Want nooit vergeet ik uw wet;
153ראה עניי וחלצני כי תורתך לא שכחתי׃
154Wees mijn verdediger en mijn beschermer, En doe mij leven naar uw bestel.
154ריבה ריבי וגאלני לאמרתך חיני׃
155Het heil blijft ver van de bozen verwijderd, Want ze zoeken uw inzettingen niet;
155רחוק מרשעים ישועה כי חקיך לא דרשו׃
156Maar uw barmhartigheid, Jahweh, is groot, Wek mij ten leven naar uw woord.
156רחמיך רבים יהוה כמשפטיך חיני׃
157Al zijn mijn vervolgers en vijanden talrijk, Van uw vermaningen wijk ik niet af;
157רבים רדפי וצרי מעדותיך לא נטיתי׃
158Het walgt mij, als ik trouwelozen aanschouw, Die uw geboden niet willen volbrengen.
158ראיתי בגדים ואתקוטטה אשר אמרתך לא שמרו׃
159Zie, hoe ik uw bevelen liefheb, o Jahweh, Laat mij dan leven naar uw genade;
159ראה כי פקודיך אהבתי יהוה כחסדך חיני׃
160Uw woord is een en al waarheid, En eeuwig houden al uw rechtvaardige voorschriften stand.
160ראש דברך אמת ולעולם כל משפט צדקך׃
161Vorsten vervolgen mij zonder enige grond, Maar mijn hart is enkel beducht voor uw woord.
161שרים רדפוני חנם ומדבריך פחד לבי׃
162Ik verheug mij over uw bestel, Als iemand, die rijke buit heeft gemaakt;
162שש אנכי על אמרתך כמוצא שלל רב׃
163Leugen en haat verfoei ik, Maar uw inzettingen heb ik lief.
163שקר שנאתי ואתעבה תורתך אהבתי׃
164Zeven maal daags zing ik uw lof, Om uw rechtvaardige voorschriften;
164שבע ביום הללתיך על משפטי צדקך׃
165Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, En struikelen nooit.
165שלום רב לאהבי תורתך ואין למו מכשול׃
166Jahweh, ik smacht naar uw heil, En onderhoud uw geboden;
166שברתי לישועתך יהוה ומצותיך עשיתי׃
167Ik volg uw vermaningen op, En bemin ze van harte;
167שמרה נפשי עדתיך ואהבם מאד׃
168Ik volbreng uw bevelen, Ja, heel mijn leven ligt voor U bloot!
168שמרתי פקודיך ועדתיך כי כל דרכי נגדך׃
169Jahweh, mijn smeken dringe tot U door, Geef mij inzicht naar uw woord;
169תקרב רנתי לפניך יהוה כדברך הבינני׃
170Moge mijn gebed voor uw aangezicht komen, Breng mij redding naar uw bestel.
170תבוא תחנתי לפניך כאמרתך הצילני׃
171Dan zal een lofzang mijn lippen ontstromen, Omdat Gij uw inzettingen mij hebt geleerd;
171תבענה שפתי תהלה כי תלמדני חקיך׃
172En mijn tong zal uw waarachtigheid loven, Want al uw vermaningen zijn gerecht.
172תען לשוני אמרתך כי כל מצותיך צדק׃
173Uw hand zij bereid, mij te helpen, Want uw bevelen heb ik verkoren;
173תהי ידך לעזרני כי פקודיך בחרתי׃
174Jahweh, ik smacht naar uw heil, En uw wet is mij een verkwikking.
174תאבתי לישועתך יהוה ותורתך שעשעי׃
175Mijn ziel moge leven, om U te loven, En uw voorschriften mogen mij helpen;
175תחי נפשי ותהללך ומשפטך יעזרני׃
176Als een verloren schaap dool ik rond: zoek uw dienaar weer op, Want nimmer heb ik uw geboden vergeten!
176תעיתי כשה אבד בקש עבדך כי מצותיך לא שכחתי׃

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.