Psalmen
Chapter 39
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen: een psalm van David. Ik had wel gezegd: “Goed wil ik op mijn woorden letten, Om niet te zondigen met mijn tong; Mijn mond beteugelen, Als de boze er bij staat.”
1IO aveva detto: Io prenderò guardia alle mie vie, Che io non pecchi colla mia lingua; Io guarderò la mia bocca con un frenello, Mentre l'empio sarà davanti a me.
2Ik zweeg, bleef sprakeloos en stom, Hoe fel mijn smart ook mocht zijn.
2Io sono stato mutolo e cheto; Ho eziandio taciuto il bene; Ma la mia doglia si è inasprita.
3Maar nu kookt mijn hart in mijn boezem over, En als ik er aan denk, laait het vuur in mij op. Nu snik ik het uit:
3Il mio cuore si è riscaldato dentro di me; Un fuoco si è acceso, mentre io ravvolgeva questo nell'animo mio; Onde io ho parlato colla mia lingua, dicendo:
4Jahweh, laat mij mijn einde maar zien; Ik wil weten, hoeveel tijd mij nog rest, En wanneer het met mij is gedaan!
4O Signore, fammi conoscere il mio fine, E quale è il termine de' miei dì; Fa' ch 'io sappia quanto io ho da vivere ancora in questo mondo.
5Zie, Gij hebt mijn dagen een paar handbreedten lengte gegeven, En de duur van mijn leven is voor U als niets;
5Ecco tu hai ridotti i miei dì alla misura di un palmo, E il tempo della mia vita è come niente appo te; Certo, ogni uomo, quantunque sia in piè, è tutta vanità. (Sela.)
6Iedere mens is enkel een zucht, En als een schaduwbeeld wandelt hij rond; Voor niets maakt hij zich druk en verzamelt zich schatten, Zonder te weten, wie ze zal krijgen.
6Certo l'uomo va e viene in figura; Certo in vano si travagliano tutti, E adunano de' beni senza sapere chi li raccorrà.
7Wat zou ik dan nog verwachten, o Heer! Alleen op U kan ik nog hopen!
7Ma ora, Signore, che aspetto io? La mia speranza è in te.
8Verlos mij van al mijn zonden, En maak mij niet tot spot voor den dwaas.
8Liberami da tutti i miei misfatti; Non farmi essere il vituperio dello stolto.
9Ik zwijg, en doe mijn mond niet open: Want Gij zelf deedt het mij aan.
9Io ammutolisco, io non aprirò la bocca; Perciocchè tu hai fatto questo .
10Ach, neem uw plaag van mij weg, Want ik bezwijk onder de druk van uw hand. Alleen om de zonde te straffen,
10Toglimi d'addosso la tua piaga; Io mi vengo meno, per la guerra che tu mi fai colla tua mano.
11Slaat Gij den mens, Verteert Gij als de motten zijn glorie, En is iedere mens maar een zucht.
11Se tu castighi alcuno con castigamenti d'iniquità, Tu fai struggere tutto ciò che vi è di bello e d'eccellente in lui, Come una tignuola; certo, ogni uomo è vanità. (Sela.)
12Jahweh, hoor mijn gebed en luister naar mijn smeken, Zwijg niet stil bij mijn tranen; Want ik ben toch uw gast, En bij U op bezoek als al mijn vaderen.
12Signore, ascolta la mia orazione, e porgi l'orecchio al mio grido, E non esser sordo alle mie lagrime; Perciocchè io son forestiere appo te, Ed avveniticcio, come tutti i miei padri.
13Houd op; opdat ik nog vreugde mag hebben, Eer ik heenga, en er niet meer zal zijn!
13Cessati da me, acciocchè io mi rinforzi, Innanzi che io me ne vada, e non sia più .

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.