Psalmen
Chapter 107
Petrus Canisius Bible, 1…
vs World English Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1Give thanks to the LORD, for he is good, for his loving kindness endures forever.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2Let the redeemed by the LORD say so, whom he has redeemed from the hand of the adversary,
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3and gathered out of the lands, from the east and from the west, from the north and from the south.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4They wandered in the wilderness in a desert way. They found no city to live in.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5Hungry and thirsty, their soul fainted in them.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Then they cried to the LORD in their trouble, and he delivered them out of their distresses.
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7He led them also by a straight way, that they might go to a city to live in.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Let them praise the LORD for his loving kindness, for his wonderful deeds to the children of men!
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9For he satisfies the longing soul. He fills the hungry soul with good.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Some sat in darkness and in the shadow of death, being bound in affliction and iron,
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11because they rebelled against the words of God, and condemned the counsel of the Most High.
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12Therefore he brought down their heart with labor. They fell down, and there was no one to help.
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13Then they cried to the LORD in their trouble, and he saved them out of their distresses.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14He brought them out of darkness and the shadow of death, and broke away their chains.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15Let them praise the LORD for his loving kindness, for his wonderful deeds to the children of men!
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16For he has broken the gates of bronze, and cut through bars of iron.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Fools are afflicted because of their disobedience, and because of their iniquities.
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18Their soul abhors all kinds of food. They draw near to the gates of death.
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19Then they cry to the LORD in their trouble, and he saves them out of their distresses.
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20He sends his word, and heals them, and delivers them from their graves.
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21Let them praise the LORD for his loving kindness, for his wonderful deeds to the children of men!
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22Let them offer the sacrifices of thanksgiving, and declare his deeds with singing.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23Those who go down to the sea in ships, who do business in great waters,
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24these see the LORD’s deeds, and his wonders in the deep.
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25For he commands, and raises the stormy wind, which lifts up its waves.
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26They mount up to the sky; they go down again to the depths. Their soul melts away because of trouble.
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27They reel back and forth, and stagger like a drunken man, and are at their wits’ end.
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28Then they cry to the LORD in their trouble, and he brings them out of their distress.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29He makes the storm a calm, so that its waves are still.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30Then they are glad because it is calm, so he brings them to their desired haven.
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31Let them praise the LORD for his loving kindness, for his wonderful deeds for the children of men!
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32Let them exalt him also in the assembly of the people, and praise him in the seat of the elders.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33He turns rivers into a desert, water springs into a thirsty ground,
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34and a fruitful land into a salt waste, for the wickedness of those who dwell in it.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35He turns a desert into a pool of water, and a dry land into water springs.
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36There he makes the hungry live, that they may prepare a city to live in,
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37sow fields, plant vineyards, and reap the fruits of increase.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38He blesses them also, so that they are multiplied greatly. He doesn’t allow their livestock to decrease.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39Again, they are diminished and bowed down through oppression, trouble, and sorrow.
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40He pours contempt on princes, and causes them to wander in a trackless waste.
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41Yet he lifts the needy out of their affliction, and increases their families like a flock.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42The upright will see it, and be glad. All the wicked will shut their mouths.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43Whoever is wise will pay attention to these things. They will consider the loving kindnesses of the LORD.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.