Psalmen 109
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Mijn God, tot wien mijn loflied klinkt, Zwijg toch niet stil!
1God of my praise, don’t remain silent,
2Want men zet een mond vol boosheid en bedrog tegen mij op, En belastert mij met leugentongen;
2for they have opened the mouth of the wicked and the mouth of deceit against me. They have spoken to me with a lying tongue.
3Men bestookt mij met woorden van haat, En bestrijdt mij zonder enige grond;
3They have also surrounded me with words of hatred, and fought against me without a cause.
4Men belaagt mij tot loon voor mijn liefde, En tot loon voor mijn bidden;
4In return for my love, they are my adversaries; but I am in prayer.
5Men vergeldt mij kwaad voor goed, En haat voor mijn liefde.
5They have rewarded me evil for good, and hatred for my love.
6Stel een gewetenloos rechter over hem aan, En aan zijn rechterhand trede een valse aanklager op;
6Set a wicked man over him. Let an adversary stand at his right hand.
7Voor het gerecht worde hij schuldig bevonden, En smeke hij tevergeefs om genade.
7When he is judged, let him come out guilty. Let his prayer be turned into sin.
8Mogen zijn dagen maar kort zijn, En zijn ambt aan een ander vervallen.
8Let his days be few. Let another take his office.
9Zijn kinderen mogen wezen, Zijn vrouw een weduwe worden;
9Let his children be fatherless, and his wife a widow.
10Mogen zijn zonen als bedelaars zwerven, Zelfs uit hun krotten worden verjaagd.
10Let his children be wandering beggars. Let them be sought from their ruins.
11De woekeraar legge beslag op heel zijn bezit, En vreemden mogen met zijn verdiensten gaan strijken.
11Let the creditor seize all that he has. Let strangers plunder the fruit of his labor.
12Laat niemand zich zijner ontfermen, Niemand zich over zijn wezen erbarmen;
12Let there be no one to extend kindness to him, neither let there be anyone to have pity on his fatherless children.
13Laat zijn kroost ten ondergang worden gedoemd, Zijn naam al verdwijnen in het eerste geslacht.
13Let his posterity be cut off. In the generation following let their name be blotted out.
14Moge Jahweh de misdaad zijner vaderen gedenken, En de schuld van zijn moeder nooit worden gedelgd;
14Let the iniquity of his fathers be remembered by the LORD. Don’t let the sin of his mother be blotted out.
15Jahweh houde ze altijd voor ogen, Zodat zelfs hun aandenken van de aarde verdwijnt.
15Let them be before the LORD continually, that he may cut off their memory from the earth;
16Want hij dacht er niet aan, barmhartig te zijn, Maar vervolgde den ellendige, arme en bedroefde ten dode.
16because he didn’t remember to show kindness, but persecuted the poor and needy man, the broken in heart, to kill them.
17Hij hield van vervloeking: die treffe hem dan; Geen zegen wilde hij spreken: die blijve hem verre!
17Yes, he loved cursing, and it came to him. He didn’t delight in blessing, and it was far from him.
18De vloek trok hij aan als een kleed: Die dringe hem als water in het lijf, als olie in zijn gebeente;
18He clothed himself also with cursing as with his garment. It came into his inward parts like water, like oil into his bones.
19Die worde de mantel, waarin hij zich hult, De gordel, die hij altijd moet dragen.
19Let it be to him as the clothing with which he covers himself, for the belt that is always around him.
20Zó moge Jahweh mijn haters vergelden, En die laag van mij lasteren!
20This is the reward of my adversaries from the LORD, of those who speak evil against my soul.
21Maar treed Gìj voor mij op, o Jahweh, mijn Heer, En red mij omwille van uw Naam naar de rijkdom uwer genade!
21But deal with me, GOD the Lord, for your name’s sake, because your loving kindness is good, deliver me;
22Want ik ben arm en ellendig, En mijn hart krimpt ineen in mijn borst;
22for I am poor and needy. My heart is wounded within me.
23Ik zink weg als een verdwijnende schaduw, Word voortgejaagd als een sprinkhanenzwerm;
23I fade away like an evening shadow. I am shaken off like a locust.
24Van het vasten knikken mijn knieën, En mijn vermagerd lichaam schrompelt ineen.
24My knees are weak through fasting. My body is thin and lacks fat.
25Zó ben ik hun een bespotting geworden; Die mij zien, schudden meewarig het hoofd.
25I have also become a reproach to them. When they see me, they shake their head.
26Help mij, Jahweh, mijn God, En red mij naar uw genade;
26Help me, LORD, my God. Save me according to your loving kindness;
27Opdat men erkenne, dat het uw hand is, Jahweh: dat Gij het volbracht!
27that they may know that this is your hand; that you, LORD, have done it.
28Laat hèn dan maar vloeken, als Gìj mij wilt zegenen; Mijn vijand zich schamen, maar uw knecht zich verheugen;
28They may curse, but you bless. When they arise, they will be shamed, but your servant shall rejoice.
29Mogen mijn tegenstanders met smaad worden bekleed, En zich in hun schande hullen als in een mantel!
29Let my adversaries be clothed with dishonor. Let them cover themselves with their own shame as with a robe.
30Dan zal ik Jahweh juichend danken, En voor een talloze schare Hem prijzen;
30I will give great thanks to the LORD with my mouth. Yes, I will praise him among the multitude.
31Omdat Hij aan de rechterhand van den ongelukkige staat, Om hem te redden, van die hem verdoemen!
31For he will stand at the right hand of the needy, to save him from those who judge his soul.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.