Psalmen 107
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1ᾨδὴ ψαλμοῦ τῷ Δαυΐδ.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2ΕΤΟΙΜΗ ἡ καρδία μου, ὁ Θεός, ἑτοίμη ἡ καρδία μου, ᾄσομαι καὶ ψαλῶ ἐν τῇ δόξῃ μου.
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3ἐξεγέρθητι, ψαλτήριον καὶ κιθάρα· ἐξεγερθήσομαι ὄρθρου.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4ἐξομολογήσομαί σοι ἐν λαοῖς, Κύριε, ψαλῶ σοι ἐν ἔθνεσιν,
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5ὅτι μέγα ἐπάνω τῶν οὐρανῶν τὸ ἔλεός σου καὶ ἕως τῶν νεφελῶν ἡ ἀλήθειά σου.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6ὑψώθητι ἐπὶ τοὺς οὐρανούς, ὁ Θεός, καὶ ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν ἡ δόξα σου.
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7ὅπως ἂν ρυσθῶσιν οἱ ἀγαπητοί σου, σῶσον τῇ δεξιᾷ σου καὶ ἐπάκουσόν μου.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8ὁ Θεὸς ἐλάλησεν ἐν τῷ ἁγίῳ αὐτοῦ· ὑψωθήσομαι καὶ διαμεριῶ Σίκιμα, καὶ τὴν κοιλάδα τῶν σκηνῶν διαμετρήσω·
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9ἐμός ἐστι Γαλαάδ, καὶ ἐμός ἐστι Μανασσῆς, καὶ Ἐφραὶμ ἀντίληψις τῆς κεφαλῆς μου, Ἰούδας βασιλεύς μου,
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Μωὰβ λέβης τῆς ἐλπίδος μου, ἐπὶ τὴν Ἰδουμαίαν ἐπιβαλῶ τὸ ὑπόδημά μου, ἐμοὶ ἀλλόφυλοι ὑπετάγησαν.
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11τίς ἀπάξει με εἰς πόλιν περιοχῆς; ἢ τίς ὁδηγήσει με ἕως τῆς Ἰδουμαίας;
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12οὐχὶ σύ, ὁ Θεός, ὁ ἀπωσάμενος ἡμᾶς; καὶ οὐκ ἐξελεύσῃ, ὁ Θεός, ἐν ταῖς δυνάμεσιν ἡμῶν;
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13δὸς ἡμῖν βοήθειαν ἐκ θλίψεως, καὶ ματαία σωτηρία ἀνθρώπου.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14ἐν τῷ Θεῷ ποιήσωμεν δύναμιν, καὶ αὐτὸς ἐξουδενώσει τοὺς ἐχθροὺς ἡμῶν.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 15 in this text
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
no verse 16 in this text
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
no verse 17 in this text
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
no verse 18 in this text
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
no verse 19 in this text
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
no verse 20 in this text
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 21 in this text
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
no verse 22 in this text
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
no verse 23 in this text
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
no verse 24 in this text
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
no verse 25 in this text
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
no verse 26 in this text
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
no verse 27 in this text
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
no verse 28 in this text
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
no verse 29 in this text
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
no verse 30 in this text
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 31 in this text
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
no verse 32 in this text
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
no verse 33 in this text
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
no verse 34 in this text
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
no verse 35 in this text
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
no verse 36 in this text
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
no verse 37 in this text
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
no verse 38 in this text
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
no verse 39 in this text
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
no verse 40 in this text
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
no verse 41 in this text
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
no verse 42 in this text
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
no verse 43 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.