Psalmen 102
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
1Τῷ Δαυΐδ. ΕΥΛΟΓΕΙ, ἡ ψυχή μου, τὸν Κύριον καί, πάντα τὰ ἐντός μου, τὸ ὄνομα τὸ ἅγιον αὐτοῦ·
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
2εὐλόγει, ἡ ψυχή μου, τὸν Κύριον καὶ μὴ ἐπιλανθάνου πάσας τὰς ἀνταποδόσεις αὐτοῦ·
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
3τὸν εὐιλατεύοντα πάσας τὰς ἀνομίας σου, τὸν ἰώμενον πάσας τὰς νόσους σου·
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
4τὸν λυτρούμενον ἐκ φθορᾶς τὴν ζωήν σου, τὸν στεφανοῦντά σε ἐν ἐλέει καὶ οἰκτιρμοῖς·
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
5τὸν ἐμπιπλῶντα ἐν ἀγαθοῖς τὴν ἐπιθυμίαν σου, ἀνακαινισθήσεται ὡς ἀετοῦ ἡ νεότης σου.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
6ποιῶν ἐλεημοσύνας ὁ Κύριος καὶ κρῖμα πᾶσι τοῖς ἀδικουμένοις.
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
7ἐγνώρισε τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ τῷ Μωυσῇ, τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ τὰ θελήματα αὐτοῦ.
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
8οἰκτίρμων καὶ ἐλεήμων ὁ Κύριος, μακρόθυμος καὶ πολυέλεος·
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
9οὐκ εἰς τέλος ὀργισθήσεται, οὐδὲ εἰς τὸν αἰῶνα μηνιεῖ·
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
10οὐ κατὰ τὰς ἀνομίας ἡμῶν ἐποίησεν ἡμῖν, οὐδὲ κατὰ τὰς ἁμαρτίας ἡμῶν ἀνταπέδωκεν ἡμῖν,
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
11ὅτι κατὰ τὸ ὕψος τοῦ οὐρανοῦ ἀπὸ τῆς γῆς ἐκραταίωσε Κύριος τὸ ἔλεος αὐτοῦ ἐπὶ τοὺς φοβουμένους αὐτόν·
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
12καθόσον ἀπέχουσιν ἀνατολαὶ ἀπὸ δυσμῶν, ἐμάκρυνεν ἀφ᾿ ἡμῶν τὰς ἀνομίας ἡμῶν.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
13καθὼς οἰκτείρει πατὴρ υἱούς, ᾠκτείρησε Κύριος τοὺς φοβουμένους αὐτόν,
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
14ὅτι αὐτὸς ἔγνω τὸ πλάσμα ἡμῶν, ἐμνήσθη ὅτι χοῦς ἐσμεν.
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
15ἄνθρωπος, ὡσεὶ χόρτος αἱ ἡμέραι αὐτοῦ· ὡσεὶ ἄνθος τοῦ ἀγροῦ, οὕτως ἐξανθήσει·
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
16ὅτι πνεῦμα διῆλθεν ἐν αὐτῷ, καὶ οὐχ ὑπάρξει καὶ οὐκ ἐπιγνώσεται ἔτι τὸν τόπον αὐτοῦ.
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
17τὸ δὲ ἔλεος τοῦ Κυρίου ἀπὸ τοῦ αἰῶνος καὶ ἕως τοῦ αἰῶνος ἐπὶ τοὺς φοβουμένους αὐτόν, καὶ ἡ δικαιοσύνη αὐτοῦ ἐπὶ υἱοῖς υἱῶν
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
18τοῖς φυλάσσουσι τὴν διαθήκην αὐτοῦ καὶ μεμνημένοις τῶν ἐντολῶν αὐτοῦ τοῦ ποιῆσαι αὐτάς.
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
19Κύριος ἐν τῷ οὐρανῷ ἡτοίμασε τὸν θρόνον αὐτοῦ, καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ πάντων δεσπόζει.
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
20εὐλογεῖτε τὸν Κύριον, πάντες οἱ ἄγγελοι αὐτοῦ, δυνατοὶ ἰσχύϊ ποιοῦντες τὸν λόγον αὐτοῦ τοῦ ἀκοῦσαι τῆς φωνῆς τῶν λόγων αὐτοῦ.
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
21εὐλογεῖτε τὸν Κύριον, πᾶσαι αἱ δυνάμεις αὐτοῦ, λειτουργοὶ αὐτοῦ ποιοῦντες τὸ θέλημα αὐτοῦ·
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
22εὐλογεῖτε τὸν Κύριον, πάντα τὰ ἔργα αὐτοῦ, ἐν παντὶ τόπῳ τῆς δεσποτείας αὐτοῦ· εὐλόγει, ἡ ψυχή μου, τὸν Κύριον.
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
no verse 23 in this text
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
no verse 24 in this text
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
no verse 25 in this text
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
no verse 26 in this text
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
no verse 27 in this text
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.