Psalmen 102
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
1Porongo pre luk, O LEUM GOD , Ac lohng tung luk ke nga suk kasru sum!
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
2Nikmet ngetla likiyu In pacl in ongoiya nu sik. Lipsreyu, Ac sa in topukyu ke nga pang nu sum.
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
3Moul luk fahsr in wanginla oana kulasr, Ac monuk folla oana sie e firir.
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
4Futungyuki nga oana mah paola, Ac wanginla pwar luk in mongo.
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
5Nga sasao ke pusra lulap, Ac wanginla ma keik sayen sri na kolo.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
6Nga oana sie won lemnak yen mwesis, Ac oana sie won owl yen ma musalla ac wangin ma fac.
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
7Nga oanna tia motul; Nga oana sie won mukaimtal su muta fin mangon sie lohm.
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
8Mwet lokoalok luk elos akkolukyeyu ke len fon; Elos su aksruksrukyeyu elos orekmakin inek oana sie mwe selnga.
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
9Nga mongo apat oana bread, Ac karyak ma nimuk ke sroninmutuk.
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
10Ke sripen sulung ac mulat lom Oru kom srukyuyak ac sisyula.
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
11Moul luk oana lul in eku, Ac nga mongeni oana mah paola.
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
12Tusruktu kom, O LEUM GOD , fah tokosra ma pahtpat, Ac fwil nukewa fah esam kom.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
13Kom ac fah tuyak ac pakomuta Zion, Tuh pacl fal kom in pakomutal — Nuna pacl fal la pa inge.
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
14Mwet kulansap lom elos lungse el, Finne kunausyukla el. Elos pakomutal, Finne el musalla.
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
15Mutunfacl uh fah sangeng sin LEUM GOD ; Tokosra nukewa fin faclu fah sangeng ke ku lal.
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
16Ke LEUM GOD El sifil musaeak Zion, El ac fah akkalemye fulat lal.
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
17El ac fah porongo pusren mwet sisila lal, Ac lohng pre lalos.
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
18Simusla ma LEUM GOD El oru inge nu sin fwil tok uh, Tuh mwet ma soenna isusla in mau wi kaksakin LEUM GOD .
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
19LEUM GOD El ngeti liki acn mutal sel lucng, El ngeti inkusrao me nu faclu.
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
20El lohng sasao lun mwet kapir Ac tulalosla su wotyang nu ke misa.
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
21Ouinge Inel ac fah fwackyuk in Zion; Ac fah kaksakinyuk El in Jerusalem
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
22Ke mutanfahl uh ac tokosrai nukewa ac fah tukeni Ac alu nu sin LEUM GOD
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
23LEUM GOD El oru nga munasla ke nga srakna fusr; El akfototoyela moul luk.
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
24O God, nikmet eisyula inge Meet liki nga matuoh. O LEUM GOD , kom moul ma pahtpat.
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
25In pacl loeloes somla kom orala faclu, Ac ke poum sifacna kom orala kusrao.
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
26Ma inge ac wanginla, a kom fah mutana; Ma inge ac mahi oana nuknuk; Kom fah sisla oana nuknuk, Na elos fah wanginla.
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
27A kom ac nuna oaya ah, Ac moul lom ac tiana safla.
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!
28Tulik natusr elos ac fah moul in misla; Na ke karinginyuk lom Fwil natulos ac fah oakwuki in misla.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.