Psalmen 42
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Voor muziekbegeleiding. Een leerdicht; van de zonen van Kore. Zoals een hert smacht naar de stromende wateren. Zo smacht mijn ziel naar U, o God!
1Oana ke soko deer el kena sun soko infacl oyohu, Ouinge nga kena apkuran nu sum, O God.
2Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God: Wanneer mag ik opgaan, en Gods aanschijn aanschouwen?
2Nga malukin kom, O God moul. Ngac nga fah ku in som ac alu ye motom?
3Dag en nacht zijn de tranen mijn brood, Omdat mij almaar gezegd wordt: “Waar blijft toch uw God!”
3Nga tung ke len ac fong, Ac sroninmutuk na pa mwe mongo nak; Pacl nukewa mwet lokoalok luk elos siyuk sik, “Ku pia God lom an?”
4Ik denk er met diepe weemoed aan terug, Hoe ik optrok in vorstelijke stoet naar Gods huis, Onder gejuich en gejubel En het gejoel van de schare.
4Insiuk asor ke nga ac esamak pacl meet ah, Ke nga ac wi un mwet fahsr nu in lohm sin God Ac kololos ke elos fahsr; Sie u na engan su on ac sasa ke elos kaksakin God.
5Mijn ziel, wat zijt gij bedroefd, En wat kreunt gij in mij? Vertrouw toch op God: Dan zal ik Hem eens mogen danken Als mijn Helper en God!
5Efu ku nga arulana supwar? Efu ku nga arulana fohs? Nga ac fah filiya finsrak luk in God, Ac nga fah sifilpa kaksakunul, Mwet Lango luk
6Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan U terug, In het land van Jordaan en Hermon en in het lage gebergte.
6ac God luk. Ngunik arulana toasr, Ke ma inge nga esamkomyak Sisken Infacl Jordan ac Fineol Hermon, Oayapa Fineol Mizar.
7Afgrond dreunt tegen afgrond door het gebruis van uw stromen. Al uw golven en baren slaan over mij heen.
7El supwama noa lulap nu fuk, Ac mwe keok toki fuk oana sronot lulap, Oana ngirngir lun kof putat.
8Overdag blijf ik uitzien naar Jahweh om zijn genade, ‘s Nachts klinkt mijn lied als een gebed tot den levenden God.
8Lela tuh LEUM GOD in akkalemye lungse kawil lal ke len, Tuh in oasr soko on yuruk ke fong Ac sie pre nu sin God lun moul luk.
9Ik zeg tot mijn God en mijn Rots: “Waarom zijt Gij mij vergeten; Waarom ga ik in rouw door de druk van mijn vijand?”
9Nga fahk nu sin God, mwet kasru luk, “Efu kom ku mulkinyula? Efu ku nga enenu in keok na Ke sulallal lun mwet lokoalok luk?”
10De hoon van mijn haters schrijnt als een steek in mijn beenderen, Omdat mij almaar gezegd wordt: “Waar blijft toch uw God!”
10Nga keoklana ke kas in akkoluk lalos, Ke elos nuna siyuk na sik kas se inge, “Pia God lom an?”
11Mijn ziel, wat zijt gij bedroefd, En wat kreunt gij in mij? Vertrouw toch op God: Dan zal ik Hem eens mogen danken Als mijn Helper en God!
11Efu ku nga arulana supwar? Efu ku nga arulana fohs? Nga ac filiya finsrak luk in God, Ac nga fah sifilpa kaksakunul, God luk, su langoeyu.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.