Psalmen
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Voor muziekbegeleiding: met fluiten. Een psalm van David. Jahweh, hoor naar mijn roepen, Let op mijn zuchten;
1Εἰς τὸ τέλος, ὑπὲρ τῆς κληρονομούσης· ψαλμὸς τῷ Δαυΐδ.
2Luister naar mijn schreien, Mijn Koning en God.
2ΤΑ ρήματά μου ἐνώτισαι, Κύριε, σύνες τῆς κραυγῆς μου·
3Want tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, Reeds in de vroegte hoort Gij mijn smeken; ‘s Morgens leg ik het voor U neer, En zie vertrouwend naar U op.
3πρόσχες τῇ φωνῇ τῆς δεήσεώς μου, ὁ βασιλεύς μου καὶ ὁ Θεός μου. ὅτι πρὸς σὲ προσεύξομαι, Κύριε·
4Gij zijt geen God, wien de boosheid behaagt, Nooit is de zondaar U welkom;
4τὸ πρωΐ εἰσακούσῃ τῆς φωνῆς μου, τὸ πρωΐ παραστήσομαί σοι καὶ ἐπόψει με,
5Geen goddeloze mag Voor uw ogen verschijnen! Gij haat al wie ongerechtigheid pleegt,
5ὅτι οὐχὶ Θεὸς θέλων ἀνομίαν σὺ εἶ· οὐ παροικήσει σοι πονηρευόμενος,
6En leugenaars richt Gij te gronde; De man van bloed en bedrog Is een afschuw voor Jahweh.
6οὐδὲ διαμενοῦσι παράνομοι κατέναντι τῶν ὀφθαλμῶν σου. ἐμίσησας πάντας τοὺς ἐργαζομένους τὴν ἀνομίαν·
7Maar door uw grote genade Mag ìk uw huis binnengaan, En naar uw heilige tempel gericht, U vol eerbied aanbidden.
7ἀπολεῖς πάντας τοὺς λαλοῦντας τὸ ψεῦδος. ἄνδρα αἱμάτων καὶ δόλιον βδελύσσεται Κύριος.
8Geleid mij, o Jahweh, Naar uw gerechtigheid; En om wille van die mij belagen, Baan mij de weg voor uw aanschijn.
8ἐγὼ δὲ ἐν τῷ πλήθει τοῦ ἐλέους σου εἰσελεύσομαι εἰς τὸν οἶκόν σου, προσκυνήσω πρὸς ναὸν ἅγιόν σου ἐν φόβῳ σου.
9Neen, in hun mond is geen waarheid, En hun hart is bedorven; Een open graf is hun keel, Ze huichelen met hun tong.
9Κύριε, ὁδήγησόν με ἐν τῇ δικαιοσύνῃ σου ἕνεκα τῶν ἐχθρῶν μου, κατεύθυνον ἐνώπιόν σου τὴν ὁδόν μου.
10Laat ze boeten, o God, Aan eigen sluwheid te gronde gaan; Stoot ze weg om hun talrijke zonden, Want ze zijn weerbarstig tegen U.
10ὅτι οὐκ ἔστιν ἐν τῷ στόματι αὐτῶν ἀλήθεια, ἡ καρδία αὐτῶν ματαία· τάφος ἀνεῳγμένος ὁ λάρυγξ αὐτῶν, ταῖς γλώσσαις αὐτῶν ἐδολιοῦσαν.
11Dan verheugen zich allen, Die tot U vluchten; Jubelen eeuwig, Daar Gij ze beschermt; En juichen in U, Die uw Naam beminnen.
11κρῖνον αὐτούς, ὁ Θεός. ἀποπεσάτωσαν ἀπὸ τῶν διαβουλιῶν αὐτῶν· κατὰ τὸ πλῆθο ς τῶν ἀσεβειῶν αὐτῶν ἔξωσον αὐτούς, ὅτι παρεπίκρανάν σε, Κύριε.
12Want Gij zegent den rechtvaardige, Jahweh; Als een schild dekt hem uw liefde.
12καὶ εὐφρανθείησαν πάντες οἱ ἐλπίζοντες ἐπὶ σέ· εἰς αἰῶνα ἀγαλλιάσονται, καὶ κατασκηνώσεις ἐν αὐτοῖς, καὶ καυχήσονται ἐν σοὶ πάντες οἱ ἀγαπῶντες τὸ ὄνομά σου.
no verse 13 in this text
13ὅτι σὺ εὐλογήσεις δίκαιον· Κύριε, ὡς ὅπλῳ εὐδοκίας ἐστεφάνωσας ἡμᾶς.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.