Psalmen
Chapter 88
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.
1Ein Psalmlied der Kinder Korah, vorzusingen, von der Schwachheit der Elenden. Eine Unterweisung Hemans, des Esrahiten. HERR, Gott, mein Heiland, ich schreie Tag und Nacht vor dir.
2Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.
2Laß mein Gebet vor dich kommen; neige deine Ohren zu meinem Geschrei.
3Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;
3Denn meine Seele ist voll Jammers, und mein Leben ist nahe dem Tode.
4Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht.
4Ich bin geachtet gleich denen, die in die Grube fahren; ich bin ein Mann, der keine Hilfe hat.
5Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken.
5Ich liege unter den Toten verlassen wie die Erschlagenen, die im Grabe liegen, deren du nicht mehr gedenkst und die von deiner Hand abgesondert sind.
6Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods;
6Du hast mich in die Grube hinuntergelegt, in die Finsternis und in die Tiefe.
7Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen.
7Dein Grimm drückt mich; du drängst mich mit allen deinen Fluten. (Sela.)
8Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,
8Meine Freunde hast du ferne von mir getan; du hast mich ihnen zum Greuel gemacht. Ich liege gefangen und kann nicht herauskommen.
9Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit:
9Meine Gestalt ist jämmerlich vor Elend. HERR, ich rufe dich an täglich; ich breite meine Hände aus zu dir.
10Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?
10Wirst du denn unter den Toten Wunder tun, oder werden die Verstorbenen aufstehen und dir danken? (Sela.)
11Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond;
11Wird man in Gräbern erzählen deine Güte, und deine Treue im Verderben?
12Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten?
12Mögen denn deine Wunder in der Finsternis erkannt werden oder deine Gerechtigkeit in dem Lande, da man nichts gedenkt?
13Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.
13Aber ich schreie zu dir, HERR, und mein Gebet kommt frühe vor dich.
14Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?
14Warum verstößest du, HERR, meine Seele und verbirgst dein Antlitz vor mir?
15Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen;
15Ich bin elend und ohnmächtig, daß ich so verstoßen bin; ich leide deine Schrecken, daß ich fast verzage.
16Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij.
16Dein Grimm geht über mich; dein Schrecken drückt mich.
17Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;
17Sie umgeben mich täglich wie Wasser und umringen mich miteinander.
18Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.
18Du machst, daß meine Freunde und Nächsten und meine Verwandten sich ferne von mir halten um solches Elends willen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.