Psalmen 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een leerdicht. O God, wij hebben het met eigen oren gehoord, Onze vaderen hebben het ons verteld, Wat Gij gedaan hebt in hun dagen, Met eigen hand in vroeger tijd.
1Eine Unterweisung der Kinder Korah, vorzusingen. Gott, wir haben's mit unsern Ohren gehört, unsre Väter haben's uns erzählt, was du getan hast zu ihren Zeiten vor alters.
2Naties hebt Gij uitgeroeid om hèn te planten, Volkeren geveld, om hèn te doen groeien.
2Du hast mit deiner Hand die Heiden vertrieben, aber sie hast du eingesetzt; du hast die Völker verderbt, aber sie hast du ausgebreitet.
3Neen, niet met hun zwaard namen zij bezit van het Land, Niet hun arm bracht hun zege: Maar het was uw rechterhand en uw arm En het licht van uw aanschijn, omdat Gij ze lief hadt.
3Denn sie haben das Land nicht eingenommen durch ihr Schwert, und ihr Arm half ihnen nicht, sondern deine Rechte, dein Arm und das Licht deines Angesichts; denn du hattest Wohlgefallen an ihnen.
4Gij waart het, mijn Koning en God, Die Jakob de zege verleende;
4Du, Gott, bist mein König, der du Jakob Hilfe verheißest.
5Met úw hulp sloegen wij onze vijanden neer, Door úw Naam trapten wij onze haters tegen de grond;
5Durch dich wollen wir unsre Feinde zerstoßen; in deinem Namen wollen wir untertreten, die sich wider uns setzen.
6Neen, ik heb niet vertrouwd op mijn boog, En mijn zwaard kon de zege niet schenken.
6Denn ich verlasse mich nicht auf meinen Bogen, und mein Schwert kann mir nicht helfen;
7Maar Gij hebt ons van onze verdrukkers verlost, En onze haters te schande gemaakt;
7sondern du hilfst uns von unsern Feinden und machst zu Schanden, die uns hassen.
8In God mochten we steeds blijven roemen, En uw Naam in eeuwigheid prijzen!
8Wir wollen täglich rühmen von Gott und deinem Namen danken ewiglich. (Sela.)
9Maar nú hebt Gij ons verstoten, ons te schande gemaakt, En trekt niet meer met onze heirscharen op;
9Warum verstößest du uns denn nun und lässest uns zu Schanden werden und ziehst nicht aus unter unserm Heer?
10Gij laat ons vluchten voor onze verdrukkers, En onze haters roven ons leeg!
10Du lässest uns fliehen vor unserm Feind, daß uns berauben, die uns hassen.
11Gij levert ons als slachtvee uit, En verstrooit ons onder de naties;
11Du lässest uns auffressen wie Schafe und zerstreuest uns unter die Heiden.
12Verkoopt uw volk voor een spotprijs, En geeft het bijna voor niet!
12Du verkaufst dein Volk umsonst und nimmst nichts dafür.
13Gij maakt ons tot smaad onzer buren, Tot spot en hoon voor die ons omringen;
13Du machst uns zur Schmach unsern Nachbarn, zum Spott und Hohn denen, die um uns her sind.
14Gij laat de heidenen over ons schimpen, De volkeren meewarig het hoofd over ons schudden.
14Du machst uns zum Beispiel unter den Heiden und daß die Völker das Haupt über uns schütteln.
15Mijn schande staat mij altijd voor ogen, En de schaamte bedekt mijn gelaat,
15Täglich ist meine Schmach vor mir, und mein Antlitz ist voller Scham,
16Om de praatjes van schimper en spotter, Om de blik van vijand en hater.
16daß ich die Schänder und Lästerer hören und die Feinde und Rachgierigen sehen muß.
17En dit alles trof ons, ofschoon wij U niet hebben vergeten, En uw Verbond niet hebben verbroken.
17Dies alles ist über uns gekommen; und wir haben doch dein nicht vergessen noch untreu in deinem Bund gehandelt.
18Ons hart is niet afvallig geworden, Onze schreden dwaalden niet af van uw pad;
18Unser Herz ist nicht abgefallen noch unser Gang gewichen von deinem Weg,
19Toch hebt Gij ons naar het oord der jakhalzen verwezen, En ons met de schaduw des doods overdekt.
19daß du uns so zerschlägst am Ort der Schakale und bedeckst uns mit Finsternis.
20Of, hadden wij de Naam van onzen God soms vergeten, Onze handen naar vreemde goden geheven:
20Wenn wir des Namens unsers Gottes vergessen hätten und unsre Hände aufgehoben zum fremden Gott,
21Zou God het misschien niet hebben geweten, Hij, die de hartsgeheimen doorgrondt?
21würde das Gott nicht finden? Er kennt ja unsers Herzens Grund.
22Neen, om Uwentwil blijft men ons wurgen, En worden wij als slachtvee behandeld!
22Denn wir werden ja um deinetwillen täglich erwürgt und sind geachtet wie Schlachtschafe.
23Sta op dan; waarom zoudt Gij slapen, o Heer! Ontwaak; blijf ons niet altijd verstoten!
23Erwecke dich, Herr! Warum schläfst Du? Wache auf und verstoße uns nicht so gar!
24Waarom zoudt Gij uw aanschijn verbergen, Onze nood en ellende vergeten?
24Warum verbirgst du dein Antlitz, vergissest unsers Elends und unsrer Drangsal?
25Want onze ziel ligt gebukt in het stof, En ons lichaam kleeft vast aan de grond.
25Denn unsre Seele ist gebeugt zur Erde; unser Leib klebt am Erdboden.
26Sta op, ons te hulp! Red ons om wille van uw genade!
26Mache dich auf, hilf uns und erlöse uns um deiner Güte willen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.