Psalmen 106
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
1Halelujah. Oslavujte Hospodina, nebo dobrý jest, nebo na věky milosrdenství jeho.
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
2Kdo může vymluviti nesmírnou moc Hospodinovu, a vypraviti všecku chválu jeho?
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
3Blahoslavení, kteříž ostříhají soudu, a činí spravedlnost každého času.
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
4Pamatuj na mne, Hospodine, pro milost k lidu svému, navštěv mne spasením svým,
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
5Abych užíval dobrých věcí s vyvolenými tvými, a veselil se veselím národu tvého, a chlubil se spolu s dědictvím tvým.
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
6Zhřešili jsme i s otci svými, neprávě jsme činili, a bezbožnost páchali.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
7Otcové naši v Egyptě nerozuměli předivným skutkům tvým, aniž pamatovali na množství milosrdenství tvých, ale odporni byli při moři, při moři Rudém.
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
8A však vysvobodil je pro jméno své, aby v známost uvedl moc svou.
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
9Nebo přimluvil moři Rudému, a vyschlo; i provedl je skrze hlubiny, jako po poušti.
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
10A tak zachoval je od ruky toho, jenž jich nenáviděl, a vyprostil je z ruky nepřítele.
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
11V tom přikryly vody ty, kteříž je ssužovali, nezůstalo ani jednoho z nich.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
12A ačkoli věřili slovům jeho, a zpívali chválu jeho,
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
13Však rychle zapomenuli na skutky jeho, a nečekali na radu jeho;
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
14Ale jati jsouce žádostí na poušti, pokoušeli Boha silného na pustinách.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
15I dal jim, čehož se jim chtělo, a však dopustil hubenost na život jejich.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
16Potom, když horlili proti Mojžíšovi v vojště, a Aronovi, svatému Hospodinovu,
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
17Otevřevši se země, požřela Dátana, a přikryla zběř Abironovu.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
18A roznícen byl oheň na rotu jejich, plamen spálil bezbožníky.
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
19Udělali i tele na Orébě, a skláněli se slitině.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
20A změnivše slávu svou v podobiznu vola, jenž jí trávu,
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
21Zapomněli na Boha silného, spasitele svého, kterýž činil veliké věci v Egyptě.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
22A předivné v zemi Chamově, přehrozné při moři Rudém.
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
23Pročež řekl, že je vypléní, kdyby se byl Mojžíš, vyvolený jeho, nepostavil v té mezeře před ním, a neodvrátil prchlivosti jeho, aby nehubil.
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
24Za tím zošklivili sobě zemi žádanou, nevěříce slovu jeho.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
25A repcíce v staních svých, neposlouchali hlasu Hospodinova.
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
26A protož pozdvihl ruky své proti nim, aby je rozmetal po poušti,
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
27A aby rozptýlil símě jejich mezi pohany, a rozehnal je do zemí.
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
28Spřáhli se také byli s modlou Belfegor, a jedli oběti mrch.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
29A tak dráždili Boha skutky svými, až se na ně obořila rána,
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
30Až se postavil Fínes, a pomstu vykonal, i přetržena jest rána ta.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
31Což jest mu počteno za spravedlnost od národu do pronárodu, a až na věky.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
32Opět ho byli popudili při vodách sváru, až se i Mojžíšovi zle stalo pro ně.
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
33Nebo k hořkosti přivedli ducha jeho, a pronesl ji rty svými.
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
34K tomu nevyplénili ani národů těch, o kterýchž jim byl Hospodin poručil,
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
35Ale směšujíce se s těmi národy, naučili se skutkům jejich,
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
36A sloužili modlám jejich, kteréž jim byly osídlem.
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
37Obětovali zajisté syny své a dcery své ďáblům.
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
38A vylili krev nevinnou, krev synů svých a dcer svých, kteréž obětovali trapidlům Kananejským, tak že poškvrněna jest země těmi vraždami.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
39I zmazali se skutky svými, a smilnili činy svými.
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
40Protož rozpáliv se v prchlivosti Hospodin na lid svůj, v ošklivost vzal dědictví své.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
41A vydal je v ruce pohanů. I panovali nad nimi ti, jenž je v nenávisti měli,
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
42A utiskali je nepřátelé jejich, tak že sníženi jsou pod ruku jejich.
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
43Mnohokrát je vysvobozoval, oni však popouzeli ho radou svou, pročež potlačeni jsou pro nepravost svou.
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
44A však patřil na úzkost jejich, a slyšel křik jejich.
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
45Nebo se rozpomenul na smlouvu svou s nimi, a želel toho podlé množství milosrdenství svých,
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
46Tak že naklonil k nim lítostí všecky, kteříž je u vězení drželi.
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
47Zachovej nás, Hospodine Bože náš, a shromažď nás z těch pohanů, abychom slavili jméno tvé svaté, a chlubili se v chvále tvé.
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!
48Požehnaný Hospodin Bůh Izraelský od věků až na věky. Na to rciž všecken lid: Amen, Halelujah.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.