Psalmen 115
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Niet ons, o Jahweh, niet ons, Maar uw Naam geef eer om uw goedheid en trouw!
1Ne nám, Hospodine, ne nám, ale jménu svému dej čest, pro milosrdenství své a pro pravdu svou.
2Waarom zouden de heidenen zeggen: “Waar is toch hun God?”
2Proč mají říkati pohané: Kdež jest nyní Bůh jejich?
3De God van òns is in de hemel, En Hij doet wat Hij wil;
3Ješto Bůh náš jest na nebi, čině všecko, což se mu líbí.
4Doch hùn goden zijn maar zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt.
4Modly pak jejich jsou stříbro a zlato, dílo rukou lidských.
5Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;
5Ústa mají, a nemluví, oči mají, a nevidí.
6Oren, maar kunnen niet horen; Een neus, maar kunnen niet ruiken.
6Uši mají, a neslyší, nos mají, a nečijí.
7Hun handen kunnen niet tasten, Hun voeten niet gaan; Ze geven geen geluid met hun keel, En hebben geen adem in hun mond.
7Ruce mají, a nemakají, nohy mají, a nechodí, aniž volati mohou hrdlem svým.
8Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
8Nechať jsou jim podobni, kteříž je dělají, a kdožkoli v nich doufají.
9Maar Israël blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild;
9Izraeli, doufej v Hospodina, nebo spomocníkem a štítem takových on jest.
10Het huis van Aäron blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild;
10Dome Aronův, doufej v Hospodina, spomocníkem a štítem takových on jest.
11Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild!
11Kteříž se bojíte Hospodina, doufejte v Hospodina, spomocníkem a štítem takových on jest.
12En Jahweh zal ons gedenken, Ons zijn zegen verlenen: Het huis van Israël zegenen, Het huis van Aäron zegenen,
12Hospodin rozpomena se na nás, požehná; požehná domu Izraelovu, požehná i domu Aronovu.
13Die Jahweh vrezen zegenen, Kleinen en groten;
13Požehná bojícím se Hospodina, malým, i velikým.
14En Jahweh zal u blijven zegenen, U en uw kinderen!
14Rozmnoží Hospodin vás, vás i syny vaše.
15Weest dan gezegend door Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt:
15Požehnaní vy od Hospodina, kterýž učinil nebesa i zemi.
16De hemel blijft de hemel van Jahweh, Maar de aarde gaf Hij aan de kinderen der mensen.
16Nebesa jsou nebesa Hospodinova, zemi pak dal synům lidským.
17De doden zullen Jahweh niet prijzen, Niemand, die in het oord van Stilte is gedaald:
17Ne mrtví chváliti budou Hospodina, ani kdo ze všech těch, kteříž sstupují do místa mlčení,
18Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!
18Ale my dobrořečiti budeme Hospodinu od tohoto času až na věky. Halelujah.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.