Psalmen 94
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
1主よ、復讐を行う神よ、 復讐を行う神よ、輝き出てください。
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
2地をさばく方よ、立ち上がり、 高ぶる者たちに、その報いを返してください。
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
3主よ、悪者はいつまで、 悪者はいつまで勝ち誇るのか。
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
4彼らは横柄な言葉を吐き出し、 悪を行う者は皆、誇っている。
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
5主よ、彼らはあなたの民を打ち砕き、 あなたが受け継がれた民を苦しめる。
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
6彼らはやもめと寄留者を殺し、 父のない者を殺害する。
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
7彼らは言う。「主は 見ない。 ヤコブの神は心に留めない。」
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
8民の中の分別のない者たちよ、悟りなさい。 愚かな者たちよ、いつになれば知恵を得るのか。
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
9耳を植えつけた方が、聞かないだろうか。 目を形造った方が、見ないだろうか。
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
10国々を戒める方が、罰しないだろうか。 人に知識を教える方は、知らないはずがない。
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
11主は人の思いを知っておられる。 それがむなしいことを。
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
12主よ、 あなたに戒められ、 あなたの律法から教えられる人は、幸いである。
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
13あなたはその人に、災いの日々にも安らぎを与えられる。 悪者のために穴が掘られるまで。
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
14主はご自分の民を退けず、 ご自分が受け継がれた民を見捨てられないからだ。
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
15さばきは再び義にかなうものとなり、 心の直ぐな者は皆、それに従う。
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
16誰が私のために、悪者に立ち向かうだろうか。 誰が私のために、悪を行う者に立ち向かうだろうか。
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
17主が私の助けでなかったなら、 私の魂は、すぐにも沈黙の中に住んでいただろう。
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
18私が「足が滑る」と言ったとき、 主よ、あなたの慈しみが私を支えた。
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
19私の内に思い煩いが満ちるとき、 あなたの慰めが私の魂を喜ばせる。
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
20法令によって災いを生み出す不義の王座が、 あなたと交わることがあるだろうか。
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
21彼らは義人の命を狙って集まり、 罪のない者に死の宣告を下す。
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
22しかし主は、私の高いとりでとなり、 私の神は、私が身を避ける岩となられた。
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
23主は彼らの不義を、彼ら自身の上に返し、 彼ら自身の悪によって、彼らを断ち滅ぼされる。 私たちの神、主が彼らを断ち滅ぼされる。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.