Psalmen 94
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
1Come let us praise the Lord with joy: let us joyfully sing to God our saviour.
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
2Let us come before his presence with thanksgiving; and make a joyful noise to him with psalms.
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
3For the Lord is a great God, and a great King above all gods.
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
4For in his hand are all the ends of the earth: and the heights of the mountains are his.
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
5For the sea is his, and he made it: and his hands formed the dry land.
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
6Come let us adore and fall down: and weep before the Lord that made us.
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
7For he is the Lord our God: and we are the people of his pasture and the sheep of his hand.
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
8Today if you shall hear his voice, harden not your hearts:
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
9As in the provocation, according to the day of temptation in the wilderness: where your fathers tempted me, they proved me, and saw my works.
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
10Forty years long was I offended with that generation, and I said: These always err in heart.
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
11And these men have not known my ways: so I swore in my wrath that they shall not enter into my rest.
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
no verse 12 in this text
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
no verse 13 in this text
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
no verse 14 in this text
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
no verse 15 in this text
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
no verse 16 in this text
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
no verse 17 in this text
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
no verse 18 in this text
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
no verse 19 in this text
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
no verse 20 in this text
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
no verse 21 in this text
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
no verse 22 in this text
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.