Psalmen 56
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
1Unto the end, destroy not, for David, for an inscription of a title, when he fled from Saul into the cave. [1 Kings 24]
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
2Have mercy on me, O God, have mercy on me: for my soul trusteth in thee. And in the shadow of thy wings will I hope, until iniquity pass away.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
3I will cry to God the most High; to God who hath done good to me.
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
4He hath sent from heaven and delivered me: he hath made them a reproach that trod upon me. God hath sent his mercy and his truth,
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
5And he hath delivered my soul from the midst of the young lions. I slept troubled. The sons of men, whose teeth are weapons and arrows, and their tongue a sharp sword.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
6Be thou exalted, O God, above the heavens, and thy glory above all the earth.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
7They prepared a snare for my feet; and they bowed down my soul. They dug a pit before my face, and they are fallen into it.
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
8My heart is ready, O God, my heart is ready: I will Sing, and rehearse a psalm.
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
9Arise, O my glory, arise psaltery and harp: I will arise early.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
10I will give praise to thee, O Lord, among the people: I will sing a psalm to thee among the nations.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
11For thy mercy is magnified even to the heavens: and thy truth unto the clouds.
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
12Be thou exalted, O God, above the heavens: and thy glory above all the earth.
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
no verse 13 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.