Psalmen 56
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
1ای خدا بر من رحم فرما، زیرا که انسان مرا به شدت تعاقب میکند. تمامی روزجنگ کرده، مرا اذیت مینماید.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
2خصمانم تمامی روز مرا به شدت تعاقب میکنند. زیرا که بسیاری با تکبر با من میجنگند.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
3هنگامی که ترسان شوم، من بر تو توکل خواهم داشت.
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
4در خدا کلام او را خواهم ستود. بر خداتوکل کرده، نخواهم ترسید. انسان به من چه میتواند کرد؟
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
5هر روزه سخنان مرا منحرف میسازند. همه فکرهای ایشان درباره من برشرارت است.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
6ایشان جمع شده، کمین میسازند. بر قدمهای من چشم دارند زیرا قصدجان من دارند.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
7آیا ایشان بهسبب شرارت خودنجات خواهند یافت؟ ای خدا امتها را درغضب خویش بینداز.
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
8تو آوارگیهای مرا تقریر کردهای. اشکهایم را در مشک خود بگذار. آیا این در دفتر تو نیست؟
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
9آنگاه در روزی که تو رابخوانم دشمنانم روخواهند گردانید. این رامی دانم زیرا خدا با من است.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
10در خدا کلام او را خواهم ستود. درخداوند کلام او را خواهم ستود.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
11بر خدا توکل دارم پس نخواهم ترسید. آدمیان به من چه میتوانند کرد؟
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
12ای خدا نذرهای تو بر من است. قربانی های حمد را نزد تو خواهم گذرانید.
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
13زیرا که جانم را از موت رهانیدهای. آیا پایهایم را نیز از لغزیدن نگاه نخواهی داشت تا در نورزندگان به حضور خدا سالک باشم؟
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.