Psalmen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
1Unto the end. A psalm for David.
2Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
2In the Lord I put my trust: how then do you say to my soul: Get thee away from hence to the mountain like a sparrow?
3Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
3For, lo, the wicked have bent their bow; they have prepared their arrows in the quiver; to shoot in the dark the upright of heart.
4De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
4For they have destroyed the things which thou hast made: but what has the just man done?
5Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit;
5The Lord is in his holy temple, the Lord’s throne is in heaven. His eyes look on the poor man: his eyelids examine the sons of men.
6Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!”
6The Lord trieth the just and the wicked: but he that loveth iniquity hateth his own soul.
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
7He shall rain snares upon sinners: fire and brimstone and storms of winds shall be the portion of their cup.
8Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke,
8For the Lord is just, and hath loved justice: his countenance hath beheld righteousness.
9Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
no verse 9 in this text
10Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen.
no verse 10 in this text
11En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
no verse 11 in this text
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
no verse 12 in this text
13Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!”
no verse 13 in this text
14Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
no verse 14 in this text
15Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft.
no verse 15 in this text
16Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land!
no verse 16 in this text
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
no verse 17 in this text
18Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.
no verse 18 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.