Psalmen
Chapter 50
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Een psalm van Asaf. De God der goden, Jahweh, spreekt en roept tot de aarde Van de opgang tot de ondergang der zon!
1力ある方、神、主は語り、 日の昇る所から沈む所まで、地を呼ばれる。
2Van Sion, de kroon der schoonheid, straalt God zijn heerlijkheid uit:
2美の極みであるシオンから、 神は光り輝かれる。
3Hij komt, onze God, en zwijgt niet meer! Verterend vuur gaat voor Hem uit, De stormwind woedt om Hem heen!
3私たちの神は来られ、黙っておられない。 御前には焼き尽くす火があり、 その周りには激しい嵐が吹き荒れる。
4Hij nodigt de hemelen uit, daarboven, En de aarde, om zijn volk te richten:
4神はご自分の民を裁くために、 上の天と地を呼ばれる。
5“Brengt Mij mijn getrouwen bijeen, Die door offers het Verbond met Mij sloten!”
5「私の聖徒たちを私のもとに集めよ。 いけにえによって私と契約を結んだ者たちを。」
6En de hemelen verkondigen zijn gerechtigheid; Want God begint het gericht.
6天は神の義を告げ知らせる。 神ご自身が裁き主だからである。 セラ。
7Hoor, mijn volk, en laat Mij spreken; Het u betuigen, Israël: Ik Jahweh, uw God:
7「聞け、私の民よ。私は語る。 イスラエルよ、私はあなたに対して証言する。 私は神、あなたの神である。
8Niet om uw offers spreek Ik u vrij, Of om uw brandoffers, Mij zonder ophouden gebracht.
8私は、あなたのいけにえのことであなたを責めるのではない。 あなたの全焼のささげ物は常に私の前にある。
9Neen, Ik heb den stier uit uw stallen niet nodig, En geen bokken uit uw kooien.
9私はあなたの牛舎から雄牛を取る必要も、 あなたの囲いから雄ヤギを取る必要もない。
10Want Mij behoren alle dieren in het woud, Het vee en het wild op de bergen;
10森のすべての獣は私のものだからだ。 千の丘の家畜も。
11Ik ken alle vogels in de lucht, Van Mij is wat zich beweegt op het veld.
11私は山々のすべての鳥を知っている。 野の獣も私のものだ。
12Had Ik honger, Ik behoefde het ú niet te zeggen, Want Mij behoort de aarde met wat ze bevat.
12もし私が飢えていても、あなたには言わない。 世界とそこに満ちているものは私のものだからだ。
13Of zou Ik soms stierenvlees eten, En bokkenbloed drinken?
13私が雄牛の肉を食べるだろうか。 雄ヤギの血を飲むだろうか。
14Neen, breng als uw offer een loflied aan God, Onderhoud uw geloften, den Allerhoogste gebracht,
14神に感謝のいけにえをささげよ。 いと高き方に誓いを果たせ。
15En roep Mij aan in tijden van nood: Dan zal Ik u redden, en gij zult Mij eren.
15苦難の日には私を呼び求めよ。 私はあなたを助け出し、あなたは私をあがめる。」
16Hoe waagt gij het, over mijn geboden te spreken, En uw mond vol te hebben van mijn Verbond,
16しかし悪者に対して、神は言われる。 「あなたに何の権利があって私の掟を語り、 私の契約を口にするのか。
17Terwijl gij toch de tucht veracht, En mijn woord in de wind slaat?
17あなたは教えを憎み、 私の言葉を背後に投げ捨てているのに。
18Ziet gij een dief, gij loopt terstond met hem mee, En met echtbrekers gaat gij vriendschappelijk om.
18あなたは盗む者を見ると仲間になり、 姦淫する者たちと交わった。
19Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog;
19あなたは自分の口を悪に任せ、 舌で欺きを組み立てる。
20Gij spreekt schande over uw broeder, En werpt smaad op den zoon van uw moeder.
20あなたは座って自分の兄弟を悪く言い、 自分の母の子を中傷する。
21Dit hebt gij gedaan; en omdat Ik bleef zwijgen, Dacht gij nog: Ik ben niet beter dan gij. Daarom waarschuw Ik u, En breng het u onder het oog.
21あなたがこれらのことを行っても、私は黙っていた。 あなたは、私が自分と全く同じだと思った。 私はあなたを責め、あなたの目の前で告発する。
22Godvergetenen, neemt het ter harte; Anders verscheur Ik u, en er is niemand, die u zal redden!
22神を忘れる者よ、今、これをよく考えよ。 そうでなければ、私はあなたを引き裂き、助け出す者はいなくなる。
23Wie een loflied offert, eert Mij waarachtig, En wie deugdzaam leeft, hem toon Ik Gods heil!
23感謝のいけにえをささげる者は私をあがめる。 自分の道を整える者に、私は神の救いを示す。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.