Psalmen 45
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze van: “Leliën” Van de zonen van Kore; een minnelied. Een heerlijk lied ontwelt aan mijn hart, Ik wil den Koning mijn zang doen horen; Mijn tong is als een vlotte pen:
1In finem, filiis Core, pro arcanis. Psalmus.
2Gij zijt de schoonste onder de kinderen der mensen, Aanminnigheid ligt op uw lippen, Zo heeft God U voor eeuwig gezegend.
2[Deus noster refugium et virtus; adjutor in tribulationibus quæ invenerunt nos nimis.
3Gord uw zwaard om de heupen, o held, Omkleed U met glorie en luister;
3Propterea non timebimus dum turbabitur terra, et transferentur montes in cor maris.
4Vol moed op uw ros voor waarheid, onschuld en recht! Uw rechterhand lere U machtige daden;
4Sonuerunt, et turbatæ sunt aquæ eorum; conturbati sunt montes in fortitudine ejus.
5Scherp zijn uw pijlen: volkeren liggen onder uw voet, ‘s Konings vijanden ontzinkt de moed!
5Fluminis impetus lætificat civitatem Dei: sanctificavit tabernaculum suum Altissimus.
6Uw troon staat vast in de eeuwen der eeuwen, Uw koningsschepter is een schepter van recht;
6Deus in medio ejus, non commovebitur; adjuvabit eam Deus mane diluculo.
7Gij hebt de gerechtigheid lief, maar haat de boosheid. Daarom heeft Jahweh, uw God, U gezalfd Met vreugde-olie als geen uwer broeders;
7Conturbatæ sunt gentes, et inclinata sunt regna: dedit vocem suam, mota est terra.
8Al uw kleren geuren van mirre, aloë en laurier. Uit ivoren paleizen juichen de harpen U toe,
8Dominus virtutum nobiscum; susceptor noster Deus Jacob.
9Koningsdochters staan onder uw schonen; Daar treedt de Koningin aan uw rechter in ofir-brocaat!
9Venite, et videte opera Domini, quæ posuit prodigia super terram,
10Hoor, Dochter! Zie, en neig uw oor, Vergeet uw volk en het huis van uw vader:
10auferens bella usque ad finem terræ. Arcum conteret, et confringet arma, et scuta comburet igni.
11Laat de Koning uw schoonheid begeren; Breng Hem uw hulde, want Hij is uw Heer!
11Vacate, et videte quoniam ego sum Deus; exaltabor in gentibus, et exaltabor in terra.
12Dan komt de dochter van Tyrus tot U met geschenken, En zoeken de rijkste volken uw gunst.
12Dominus virtutum nobiscum; susceptor noster Deus Jacob.]
13Enkel lieftalligheid ligt op het gelaat der koninklijke Dochter, Met goud doorweven is haar ornaat;
no verse 13 in this text
14Over bonte tapijten wordt zij voor den Koning geleid, Als bruidsmeisjes volgen haar de vriendinnen;
no verse 14 in this text
15En onder gejuich en gejubel Trekken zij in het paleis van den Koning!
no verse 15 in this text
16Dan worden in plaats van uw vaderen U zonen geboren, En Gij stelt ze over heel de aarde tot koningen aan.
no verse 16 in this text
17Zij zullen uw Naam doen gedenken Van geslacht tot geslacht; En volken zullen U prijzen Voor eeuwig en immer!
no verse 17 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.