Psalmen 127
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een bedevaartslied; van Salomon. Wanneer Jahweh het huis niet bouwt, Is het zwoegen der bouwlieden ijdel; Wanneer Jahweh de stad niet behoedt, Waken de wachters vergeefs.
1Canticum graduum. [Beati omnes qui timent Dominum, qui ambulant in viis ejus.
2Dan heeft het geen zin, vroeg op te staan, Of laat u te ruste te leggen; Gij eet dan het brood in uw zweet: Maar dien Hij liefheeft, geeft Hij het ook in de slaap.
2Labores manuum tuarum quia manducabis: beatus es, et bene tibi erit.
3Waarachtig; zonen zijn geschenken van Jahweh, De vrucht van de schoot een beloning!
3Uxor tua sicut vitis abundans in lateribus domus tuæ; filii tui sicut novellæ olivarum in circuitu mensæ tuæ.
4Als pijlen in de hand van den strijder, Zijn de zonen, verwekt in de jeugd;
4Ecce sic benedicetur homo qui timet Dominum.
5Gelukkig de man, Die er zijn koker van vol heeft: Hij hoeft niet verlegen te staan, Als hij onder de poort met zijn vijanden twist.
5Benedicat tibi Dominus ex Sion, et videas bona Jerusalem omnibus diebus vitæ tuæ.
no verse 6 in this text
6Et videas filios filiorum tuorum: pacem super Israël.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.