Psalmen 139
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt;
1In finem. Psalmus David.
2Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre.
2[Eripe me, Domine, ab homine malo; a viro iniquo eripe me.
3Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd;
3Qui cogitaverunt iniquitates in corde, tota die constituebant prælia.
4Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh!
4Acuerunt linguas suas sicut serpentis; venenum aspidum sub labiis eorum.
5Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand.
5Custodi me, Domine, de manu peccatoris, et ab hominibus iniquis eripe me. Qui cogitaverunt supplantare gressus meos:
6Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten.
6absconderunt superbi laqueum mihi. Et funes extenderunt in laqueum; juxta iter, scandalum posuerunt mihi.
7Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten?
7Dixi Domino: Deus meus es tu; exaudi, Domine, vocem deprecationis meæ.
8Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er!
8Domine, Domine, virtus salutis meæ, obumbrasti super caput meum in die belli.
9Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee:
9Ne tradas me, Domine, a desiderio meo peccatori: cogitaverunt contra me; ne derelinquas me, ne forte exaltentur.
10Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast.
10Caput circuitus eorum: labor labiorum ipsorum operiet eos.
11Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen:
11Cadent super eos carbones; in ignem dejicies eos: in miseriis non subsistent.
12Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht!
12Vir linguosus non dirigetur in terra; virum injustum mala capient in interitu.
13Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd:
13Cognovi quia faciet Dominus judicium inopis, et vindictam pauperum.
14Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken.
14Verumtamen justi confitebuntur nomini tuo, et habitabunt recti cum vultu tuo.]
15Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
no verse 15 in this text
16Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond.
no verse 16 in this text
17Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God;
no verse 17 in this text
18Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig!
no verse 18 in this text
19Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven:
no verse 19 in this text
20Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen.
no verse 20 in this text
21Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan?
no verse 21 in this text
22Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn!
no verse 22 in this text
23Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten:
no verse 23 in this text
24Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!
no verse 24 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.