Psalmen 55
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David. Hoor toch, o God, naar mijn bidden, En wend U niet af van mijn smeken;
1In finem, pro populo qui a sanctis longe factus est. David in tituli inscriptionem, cum tenuerunt eum Allophyli in Geth.
2Luister naar mij, en schenk mij verhoring: Van ellende loop ik radeloos rond.
2[Miserere mei, Deus, quoniam conculcavit me homo; tota die impugnans, tribulavit me.
3Ik sidder voor het geschreeuw van den vijand, En het gehuil van den boze; Want ze storten rampen over mij uit, En bestoken mij grimmig.
3Conculcaverunt me inimici mei tota die, quoniam multi bellantes adversum me.
4Mijn hart krimpt in mijn boezem, En doodsangst bekruipt mij;
4Ab altitudine diei timebo: ego vero in te sperabo.
5Vrees en ontzetting houden mij beklemd, En de schrik grijpt mij aan.
5In Deo laudabo sermones meos; in Deo speravi: non timebo quid faciat mihi caro.
6Ik dacht: Had ik maar vleugels als een duif, Dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden;
6Tota die verba mea execrabantur; adversum me omnes cogitationes eorum in malum.
7Ver, ver weg zou ik vluchten, En een rustoord zoeken in de woestijn.
7Inhabitabunt, et abscondent; ipsi calcaneum meum observabunt. Sicut sustinuerunt animam meam,
8Ik zou mij haastig in veiligheid stellen Voor de razende storm,
8pro nihilo salvos facies illos; in ira populos confringes.
9Voor de wervelstorm, Heer, En voor de stortvloed van hun tongen. Want ik zie geweld ontketend, En de strijd tegen de stad;
9Deus, vitam meam annuntiavi tibi; posuisti lacrimas meas in conspectu tuo, sicut et in promissione tua:
10Dag en nacht trekken ze om haar heen, Over haar wallen. Daarbinnen heerst onrecht en knevelarij,
10tunc convertentur inimici mei retrorsum. In quacumque die invocavero te, ecce cognovi quoniam Deus meus es.
11En de misdaad troont in haar midden; En van haar pleinen wijkt Geweld noch bedrog.
11In Deo laudabo verbum; in Domino laudabo sermonem. In Deo speravi: non timebo quid faciat mihi homo.
12En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen.
12In me sunt, Deus, vota tua, quæ reddam, laudationes tibi:
13Maar gij, een man van mijn stam, Mijn vriend en mijn makker,
13quoniam eripuisti animam meam de morte, et pedes meos de lapsu, ut placeam coram Deo in lumine viventium.]
14Met wien ik vertrouwelijk omging, Eendrachtig leefde in Gods huis!
no verse 14 in this text
15Moge de dood ze verrassen, Zodat ze levend in het dodenrijk dalen! Want boosheid heerst in hun woning, En slechtheid in hun gemoed.
no verse 15 in this text
16Maar ìk roep tot God, En Jahweh komt mij te hulp.
no verse 16 in this text
17‘s Avonds, ‘s morgens en ‘s middags klaag ik en zucht ik, En Hij hoort naar mijn smeken.
no verse 17 in this text
18Hij zal mij vrede schenken, mij van mijn belagers bevrijden, Al staan ze nog zo talrijk tegen mij op.
no verse 18 in this text
19God verhoort mij: Hij zal ze vernederen, Hij, die van eeuwigheid op zijn troon is gezeten. Want ze zijn onverbeterlijk, En vrezen God niet;
no verse 19 in this text
20Ze slaan de hand aan hun vrienden, En schenden hun trouw.
no verse 20 in this text
21Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken.
no verse 21 in this text
22Werp daarom uw kommer op Jahweh, Hij zal voor u zorgen; En nooit zal Hij dulden, Dat de rechtvaardige wankelt.
no verse 22 in this text
23Maar stort in het diepst van het graf, o mijn God, Die mannen van bloed en bedrog; Laat ze de helft van hun dagen niet zien, Doch laat mìj op U blijven hopen!
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.