Psalmen
Chapter 40
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Vol vertrouwen heb ik op Jahweh gehoopt; Hij boog tot mij neer, en verhoorde mijn smeken.
1In finem. Psalmus ipsi David.
2Hij trok mij uit de poel van bederf, uit modder en slijk, Zette mijn voeten op een rots, en gaf mij weer een vaste stap:
2[Beatus qui intelligit super egenum et pauperem: in die mala liberabit eum Dominus.
3Hij legde een nieuw lied in mijn mond, Een jubelzang voor onzen God! Mogen velen het zien vol ontzag, En met vertrouwen op Jahweh worden vervuld!
3Dominus conservet eum, et vivificet eum, et beatum faciat eum in terra, et non tradat eum in animam inimicorum ejus.
4Gelukkig de man, die op Jahweh vertrouwt, En zich niet tot monsters wendt en tot valse gedrochten.
4Dominus opem ferat illi super lectum doloris ejus; universum stratum ejus versasti in infirmitate ejus.
5Ontzaglijke wonderen hebt Gij gewrocht, O Jahweh, mijn God; En in uw raadsbesluiten over ons Kan niemand zich met U meten. Ik zou ze willen verhalen en melden, Maar ze zijn niet te tellen.
5Ego dixi: Domine, miserere mei; sana animam meam, quia peccavi tibi.
6Slacht- en spijsoffers wilt Gij niet, Maar Gij hebt mij de oren geopend; Brand- en zoenoffers eist Gij niet,
6Inimici mei dixerunt mala mihi: Quando morietur, et peribit nomen ejus?
7Daarom zeg ik: “Zie, ik kom!” In de boekrol staat mij voorgeschreven,
7Et si ingrediebatur ut videret, vana loquebatur; cor ejus congregavit iniquitatem sibi. Egrediebatur foras et loquebatur.
8Uw wil te volbrengen: Mijn God, dit is mijn hartewens, En in mijn boezem draag ik uw Wet.
8In idipsum adversum me susurrabant omnes inimici mei; adversum me cogitabant mala mihi.
9Uw goedertierenheid heb ik verkondigd In de grote gemeente; Ik hield mijn lippen niet gesloten, Jahweh, Gij weet het!
9Verbum iniquum constituerunt adversum me: Numquid qui dormit non adjiciet ut resurgat?
10Uw gerechtigheid verborg ik niet in mijn hart, Uw trouw en hulp sprak ik openlijk uit; Uw liefde en gunst heb ik nimmer verzwegen Voor de talloze schare!
10Etenim homo pacis meæ in quo speravi, qui edebat panes meos, magnificavit super me supplantationem.
11Jahweh, onthoud mij nu ook uw barmhartigheid niet, Maar laat uw liefde en gunst mij altijd behoeden.
11Tu autem, Domine, miserere mei, et resuscita me; et retribuam eis.
12Want van alle kanten omringen mij rampen: Ik kan ze niet tellen; Mijn zonden hebben mij achterhaald: Ik kan ze niet overzien; Ze zijn talrijker dan het haar op mijn hoofd, Zodat de moed mij ontzinkt.
12In hoc cognovi quoniam voluisti me, quoniam non gaudebit inimicus meus super me.
13Gewaardig U, Jahweh, mij te verlossen; Jahweh, snel mij te hulp!
13Me autem propter innocentiam suscepisti; et confirmasti me in conspectu tuo in æternum.
14Laat smaad en ontering hen treffen, Die mijn leven belagen; Laat ze vluchten met schande, Die zich vrolijk over mijn ongeluk maken,
14Benedictus Dominus Deus Israël a sæculo et usque in sæculum. Fiat, fiat.]
15En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: “Ha, ha!”
no verse 15 in this text
16Maar in U mogen jubelen en juichen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot!” Die verlangend zijn naar uw heil.
no verse 16 in this text
17Ik ben wel ellendig en arm, Maar de Heer zal mijner gedenken. Gij zijt mijn helper en redder: Toef niet, mijn God!
no verse 17 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.