Psalmen 137
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Aan Babels stromen zaten wij schreiend Bij de gedachte aan Sion;
1Ipsi David. [Confitebor tibi, Domine, in toto corde meo, quoniam audisti verba oris mei. In conspectu angelorum psallam tibi;
2En aan de wilgen, die daar stonden, Hingen wij onze harpen op.
2adorabo ad templum sanctum tuum, et confitebor nomini tuo: super misericordia tua et veritate tua; quoniam magnificasti super omne, nomen sanctum tuum.
3Ja, daar durfden onze rovers Ons nog liederen vragen; En onze beulen: “Zingt ons vrolijke wijsjes Uit de zangen van Sion!”
3In quacumque die invocavero te, exaudi me; multiplicabis in anima mea virtutem.
4Ach, hoe zouden wij Jahweh’s liederen zingen Op vreemde bodem!
4Confiteantur tibi, Domine, omnes reges terræ, quia audierunt omnia verba oris tui.
5Jerusalem, zo ik u zou vergeten, Ik vergat mijn rechterhand nog eer;
5Et cantent in viis Domini, quoniam magna est gloria Domini;
6Mijn tong mag aan mijn gehemelte kleven, Zo ik u niet gedenk: Zo ik niet meer van Jerusalem houd, Dan van het toppunt van vreugde.
6quoniam excelsus Dominus, et humilia respicit, et alta a longe cognoscit.
7Jahweh, reken de zonen van Edom De dag van Jerusalem toe; Die riepen: Smijt ze neer, smijt ze neer; Neer met haar op de grond!
7Si ambulavero in medio tribulationis, vivificabis me; et super iram inimicorum meorum extendisti manum tuam, et salvum me fecit dextera tua.
8En gij, dochter van Babel, moordenares: Heil hem, die u vergeldt wat gij ons hebt gedaan;
8Dominus retribuet pro me. Domine, misericordia tua in sæculum; opera manuum tuarum ne despicias.]
9Heil hem, die uw kinderen grijpt, En tegen de rots te pletter slaat!
no verse 9 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.