Psalmen 128
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een bedevaartslied. Gelukkig hij, die Jahweh vreest, En zijn wegen bewandelt.
1Canticum graduum. [Sæpe expugnaverunt me a juventute mea, dicat nunc Israël;
2Want van uw arbeid zult gij eten, Voorspoedig en gelukkig zijn!
2sæpe expugnaverunt me a juventute mea: etenim non potuerunt mihi.
3Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wingerd Binnen uw huis; Uw zonen als ranken van de olijf Rondom uw dis.
3Supra dorsum meum fabricaverunt peccatores; prolongaverunt iniquitatem suam.
4Zie, zó wordt de man gezegend, Die Jahweh vreest;
4Dominus justus concidit cervices peccatorum.
5Zó zal Jahweh uit Sion U zegen bereiden! Dan moogt gij Jerusalems heil aanschouwen Al de dagen uws levens;
5Confundantur, et convertantur retrorsum omnes qui oderunt Sion.
6Nog de kinderen van uw kinderen zien: De vrede over Israël!
6Fiant sicut fœnum tectorum, quod priusquam evellatur exaruit:
no verse 7 in this text
7de quo non implevit manum suam qui metit, et sinum suum qui manipulos colligit.
no verse 8 in this text
8Et non dixerunt qui præteribant: Benedictio Domini super vos. Benediximus vobis in nomine Domini.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.