Псальма 106
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Хвалїте Господа! Прославляйте Господа, він бо благий, бо милість його по віки!
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
2Хто виповість великі дїла Божі, звістить всю хвалу його?
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
3Щасливий, хто за правосуддє дбає, і всякого часу творить справедливість!
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
4Спогадай мене, Господи, з благоволеннєм до народу твого! Завитай в мене з спасеннєм твоїм!
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
5Щоб побачити щасну долю вибраних твоїх, звеселитись радощами народу твого, хвалитись наслїддєм твоїм.
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
6Ми согрішили, як і батьки наші, жили не по правдї, творили беззаконнє.
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
7Батьки наші в Египтї не зрозуміли чудес твоїх, не памятали про багацтво милосердя твого, і були впертими коло моря, коло Червоного моря.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
8Але він спас їх задля імя свого, щоб явити потугу свою.
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
9І кликнув він на Червоне море, й висохло; і велїв їм переходити безоднї, як степи.
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
10І вислобонив їх з руки ненависника, і визволив їх з руки ворога.
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
11Води покрили гнобителїв їх, нї один з них не остався.
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
12Тодї повірили вони словам його, засьпівали хвалу йому.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
13Та скоро забули дїла його, не чекали на присуд його.
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
14Забаглось їм ласощів в пустинї, і стали скушати Бога в пустинї.
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
15Тодї дав їм, чого бажали, але післав знуреннє душам їх.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
16І позавидували вони в таборі Мойсейові, і Ааронові, сьвятому в Господа.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
17Розступилась земля, і проковтнула Датана, і покрила ватагу Авирама.
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
18І бухнув огонь під ватагою, і поломя пожерло беззаконних.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
19Вони зробили тельця коло Гореба-гори, і покланялись перед литим творищем.
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
20І заміняли славу свою за подобу бика, що травою годується.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
21Вони забули Бога, спасителя свого, що сотворив велике дїло в Египтї,
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
22Чудеса в країнї Хама, страшне дїло на Червоному морі.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
23Тодї сказав він, що запропастив би їх, якби Мойсей, вибраний його, не стояв перед ним над проваллю, щоб відхилити ярість його від погибелї.
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
24Потім відріклися землї благословенної, не повірили слову його;
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
25Нарікали в шатрах своїх, на голос Господа не зважали.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
26Тодї, піднявши руку свою, поклявся, що трупом положить їх в пустинї,
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
27І повалить потомство їх під ярмо народів і розсипле їх по землях.
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
28Пристали вони до Баал-Пегора, й їли жертви мертвих ідолів.
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
29Прогнївили Бога дїлами своїми; і спала на них кара.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
30Тодї Пинегас, зробивши суд, умилосердив Бога, і кара минула.
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
31І полїчено йому се за справедливість з роду в рід аж по віки.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
32Ще прогнївили Бога над водами Мериви; і задля них дізнав Мойсей лиха.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
33Бо так допекли серцю його, що нерозважно говорив устами.
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
34Вони не знищили народів, про котрих говорив їм Господь;
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
35Але помішались з народами, і навчились звичаїв їх.
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
36Почали служити божищам їх, котрі для них сїткою стались.
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
37Синів своїх і дочок своїх в жертву бісам приносили;
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
38Проливали кров невинну, кров синів своїх і дочок своїх, що жертвували їх божищам Канаанським; і осквернилась земля від крові.
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
39І опоганили себе дїлами своїми, і творили блуд починками своїми.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
40Тодї запалав гнїв Господа на нарід його, і зʼогидїло йому наслїддє його;
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
41Віддав їх в руки народам, і їх ненавидники панували над ними.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
42Вороги їх гнобили їх, і вони були поневолені під рукою їх.
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
43Часто спасав він їх; вони ж гнївили його радою своєю, і падали за несправедливість свою.
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
44Але він зглянув на їх неволю, як почув моленнє їх;
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
45І згадав він заповіт свій з ними, і жаль йому стало по великостї милосердя його.
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
46І дав їм знайти милосердє в усїх, що в полон їх забрали.
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
47Спаси нас, Господи Боже наш, і збери нас до купи зпоміж народів, щоб могли прославляти сьвяте імя твоє, і хвалитись славою тоєю. Благословен Господь, Бог Ізраїля, по віки! І нехай скаже весь нарід: Амінь! Аллилуя!
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
no verse 48 in this text
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.