Psalmorum 106
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Alleluja. [Confitemini Domino, quoniam bonus, quoniam in sæculum misericordia ejus.
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
2Dicant qui redempti sunt a Domino, quos redemit de manu inimici, et de regionibus congregavit eos,
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
3a solis ortu, et occasu, ab aquilone, et mari.
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
4Erraverunt in solitudine, in inaquoso; viam civitatis habitaculi non invenerunt.
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
5Esurientes et sitientes, anima eorum in ipsis defecit.
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
6Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur, et de necessitatibus eorum eripuit eos;
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
7et deduxit eos in viam rectam, ut irent in civitatem habitationis.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
8Confiteantur Domino misericordiæ ejus, et mirabilia ejus filiis hominum.
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
9Quia satiavit animam inanem, et animam esurientem satiavit bonis.
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
10Sedentes in tenebris et umbra mortis; vinctos in mendicitate et ferro.
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
11Quia exacerbaverunt eloquia Dei, et consilium Altissimi irritaverunt.
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
12Et humiliatum est in laboribus cor eorum; infirmati sunt, nec fuit qui adjuvaret.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
13Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur; et de necessitatibus eorum liberavit eos.
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
14Et eduxit eos de tenebris et umbra mortis, et vincula eorum dirupit.
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
15Confiteantur Domino misericordiæ ejus, et mirabilia ejus filiis hominum.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
16Quia contrivit portas æreas, et vectes ferreos confregit.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
17Suscepit eos de via iniquitatis eorum; propter injustitias enim suas humiliati sunt.
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
18Omnem escam abominata est anima eorum, et appropinquaverunt usque ad portas mortis.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
19Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur, et de necessitatibus eorum liberavit eos.
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
20Misit verbum suum, et sanavit eos, et eripuit eos de interitionibus eorum.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
21Confiteantur Domino misericordiæ ejus, et mirabilia ejus filiis hominum.
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
22Et sacrificent sacrificium laudis, et annuntient opera ejus in exsultatione.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
23Qui descendunt mare in navibus, facientes operationem in aquis multis:
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
24ipsi viderunt opera Domini, et mirabilia ejus in profundo.
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
25Dixit, et stetit spiritus procellæ, et exaltati sunt fluctus ejus.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
26Ascendunt usque ad cælos, et descendunt usque ad abyssos; anima eorum in malis tabescebat.
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
27Turbati sunt, et moti sunt sicut ebrius, et omnis sapientia eorum devorata est.
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
28Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur; et de necessitatibus eorum eduxit eos.
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
29Et statuit procellam ejus in auram, et siluerunt fluctus ejus.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
30Et lætati sunt quia siluerunt; et deduxit eos in portum voluntatis eorum.
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
31Confiteantur Domino misericordiæ ejus, et mirabilia ejus filiis hominum.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
32Et exaltent eum in ecclesia plebis, et in cathedra seniorum laudent eum.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
33Posuit flumina in desertum, et exitus aquarum in sitim;
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
34terram fructiferam in salsuginem, a malitia inhabitantium in ea.
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
35Posuit desertum in stagna aquarum, et terram sine aqua in exitus aquarum.
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
36Et collocavit illic esurientes, et constituerunt civitatem habitationis:
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
37et seminaverunt agros et plantaverunt vineas, et fecerunt fructum nativitatis.
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
38Et benedixit eis, et multiplicati sunt nimis; et jumenta eorum non minoravit.
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
39Et pauci facti sunt et vexati sunt, a tribulatione malorum et dolore.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
40Effusa est contemptio super principes: et errare fecit eos in invio, et non in via.
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
41Et adjuvit pauperem de inopia, et posuit sicut oves familias.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
42Videbunt recti, et lætabuntur; et omnis iniquitas oppilabit os suum.
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
43Quis sapiens, et custodiet hæc, et intelliget misericordias Domini?]
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
no verse 44 in this text
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
no verse 45 in this text
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
no verse 46 in this text
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
no verse 47 in this text
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
no verse 48 in this text
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.