Psalmorum 37
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Psalmus David, in rememorationem de sabbato.
1Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet;
2[Domine, ne in furore tuo arguas me, neque in ira tua corripias me:
2Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas.
3quoniam sagittæ tuæ infixæ sunt mihi, et confirmasti super me manum tuam.
3Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw;
4Non est sanitas in carne mea, a facie iræ tuæ; non est pax ossibus meis, a facie peccatorum meorum:
4Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert.
5quoniam iniquitates meæ supergressæ sunt caput meum, et sicut onus grave gravatæ sunt super me.
5Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen;
6Putruerunt et corruptæ sunt cicatrices meæ, a facie insipientiæ meæ.
6Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht.
7Miser factus sum et curvatus sum usque in finem; tota die contristatus ingrediebar.
7Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt.
8Quoniam lumbi mei impleti sunt illusionibus, et non est sanitas in carne mea.
8Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger;
9Afflictus sum, et humiliatus sum nimis; rugiebam a gemitu cordis mei.
9Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land!
10Domine, ante te omne desiderium meum, et gemitus meus a te non est absconditus.
10Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg.
11Cor meum conturbatum est; dereliquit me virtus mea, et lumen oculorum meorum, et ipsum non est mecum.
11Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede.
12Amici mei et proximi mei adversum me appropinquaverunt, et steterunt; et qui juxta me erant, de longe steterunt: et vim faciebant qui quærebant animam meam.
12De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden;
13Et qui inquirebant mala mihi, locuti sunt vanitates, et dolos tota die meditabantur.
13Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij.
14Ego autem, tamquam surdus, non audiebam; et sicut mutus non aperiens os suum.
14De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten;
15Et factus sum sicut homo non audiens, et non habens in ore suo redargutiones.
15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken.
16Quoniam in te, Domine, speravi; tu exaudies me, Domine Deus meus.
16Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen;
17Quia dixi: Nequando supergaudeant mihi inimici mei; et dum commoventur pedes mei, super me magna locuti sunt.
17Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut.
18Quoniam ego in flagella paratus sum, et dolor meus in conspectu meo semper.
18Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen;
19Quoniam iniquitatem meam annuntiabo, et cogitabo pro peccato meo.
19Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood.
20Inimici autem mei vivunt, et confirmati sunt super me: et multiplicati sunt qui oderunt me inique.
20Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook.
21Qui retribuunt mala pro bonis detrahebant mihi, quoniam sequebar bonitatem.
21De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven;
22Ne derelinquas me, Domine Deus meus; ne discesseris a me.
22Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd.
23Intende in adjutorium meum, Domine Deus salutis meæ.]
23Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt;
no verse 24 in this text
24En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand.
no verse 25 in this text
25Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien;
no verse 26 in this text
26Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn.
no verse 27 in this text
27Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig;
no verse 28 in this text
28Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat;
no verse 29 in this text
29Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen.
no verse 30 in this text
30De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is.
no verse 31 in this text
31Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden.
no verse 32 in this text
32De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden;
no verse 33 in this text
33Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt.
no verse 34 in this text
34Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen.
no verse 35 in this text
35Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder;
no verse 36 in this text
36Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden.
no verse 37 in this text
37Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede;
no verse 38 in this text
38Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd.
no verse 39 in this text
39Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood;
no verse 40 in this text
40Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.