Psalmorum
Chapter 59
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmorum 59

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In finem, pro his qui immutabuntur, in tituli inscriptionem ipsi David, in doctrinam,
1Voor muziekbegeleiding; “Verderf niet.” Een puntdicht van David, toen Saül het huis liet bewaken, om hem te doden. Red mij van mijn vijanden, o mijn God, Bescherm mij tegen mijn verdrukkers;
2cum succendit Mesopotamiam Syriæ et Sobal, et convertit Joab, et percussit Idumæam in valle Salinarum duodecim millia.
2Bevrijd mij van de woestelingen, Verlos mij van de bloeddorstigen.
3[Deus, repulisti nos, et destruxisti nos; iratus es, et misertus es nobis.
3Want zie, ze belagen mijn leven, En geweldenaars grijpen mij aan;
4Commovisti terram, et conturbasti eam; sana contritiones ejus, quia commota est.
4O Jahweh, ofschoon ik niets kwaads of verkeerds heb gedaan, En geen schuld er aan heb, lopen zij uit en wachten mij op. Sta op! Snel mij te hulp en zie toe,
5Ostendisti populo tuo dura; potasti nos vino compunctionis.
5Jahweh der heirscharen, Israëls God! Ontwaak, om al die trotsaards te straffen, Spaar geen van die valse verraders!
6Dedisti metuentibus te significationem, ut fugiant a facie arcus; ut liberentur dilecti tui.
6Iedere avond komen ze terug. En lopen de stad rond, jankend als honden.
7Salvum fac dextera tua, et exaudi me.
7Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: “Wie wil er wat horen!”
8Deus locutus est in sancto suo: lætabor, et partibor Sichimam; et convallem tabernaculorum metibor.
8Maar Jahweh, Gij lacht ze uit, En drijft met al die trotsaards de spot!
9Meus est Galaad, et meus est Manasses; et Ephraim fortitudo capitis mei. Juda rex meus;
9Mijn Sterkte, aan U klamp ik mij vast, Want Gij zijt mijn toevlucht, o God!
10Moab olla spei meæ. In Idumæam extendam calceamentum meum: mihi alienigenæ subditi sunt.
10Mijn God, uw goedheid trede mij tegen, En doe mij op mijn vijanden neerzien, o God.
11Quis deducet me in civitatem munitam? quis deducet me usque in Idumæam?
11Neen, spaar ze niet, opdat ze mijn volk niet verleiden; Maar doe ze vallen, en stort ze neer door uw kracht.
12nonne tu, Deus, qui repulisti nos? et non egredieris, Deus, in virtutibus nostris?
12Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken.
13Da nobis auxilium de tribulatione, quia vana salus hominis.
13Maak een eind aan hun woede, Maak een eind aan hun trots, Opdat ze erkennen, dat God heerst in Jakob Tot aan de grenzen der aarde.
14In Deo faciemus virtutem; et ipse ad nihilum deducet tribulantes nos.]
14Laat ze terugkomen, iedere avond opnieuw, En door de stad lopen, jankend als honden,
no verse 15 in this text
15Rondzwervend, om vreten te zoeken, En blaffen, wanneer ze niet vol zijn.
no verse 16 in this text
16Maar ìk zal uw almacht bezingen, Elke morgen uw goedertierenheid prijzen; Want Gij zijt mijn schuts, Mijn toevlucht in tijden van nood.
no verse 17 in this text
17Mijn Sterkte, U wil ik loven; Want Gij zijt mijn toevlucht, o God, mijn genadige God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.