Psalmorum 56
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In finem, ne disperdas. David in tituli inscriptionem, cum fugeret a facie Saul in speluncam.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
2[Miserere mei, Deus, miserere mei, quoniam in te confidit anima mea. Et in umbra alarum tuarum sperabo, donec transeat iniquitas.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
3Clamabo ad Deum altissimum, Deum qui benefecit mihi.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
4Misit de cælo, et liberavit me; dedit in opprobrium conculcantes me. Misit Deus misericordiam suam et veritatem suam,
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
5et eripuit animam meam de medio catulorum leonum. Dormivi conturbatus. Filii hominum dentes eorum arma et sagittæ, et lingua eorum gladius acutus.
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
6Exaltare super cælos, Deus, et in omnem terram gloria tua.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
7Laqueum paraverunt pedibus meis, et incurvaverunt animam meam. Foderunt ante faciem meam foveam, et inciderunt in eam.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
8Paratum cor meum, Deus, paratum cor meum; cantabo, et psalmum dicam.
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
9Exsurge, gloria mea; exsurge, psalterium et cithara: exsurgam diluculo.
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
10Confitebor tibi in populis, Domine, et psalmum dicam tibi in gentibus:
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
11quoniam magnificata est usque ad cælos misericordia tua, et usque ad nubes veritas tua.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
12Exaltare super cælos, Deus, et super omnem terram gloria tua.]
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
no verse 13 in this text
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.