Salmi
Chapter 56
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 56

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ABBI pietà di me, o Dio; Perciocchè gli uomini a gola aperta sono dietro a me; I miei assalitori mi stringono tuttodì.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
2I miei nemici son dietro a me a gola aperta tuttodì; Perciocchè gran numero di gente mi assale da alto.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
3Nel giorno che io temerò, Io mi confiderò in te.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
4Coll' aiuto di Dio, io loderò la sua parola; Io mi confido in Dio, Io non temerò cosa che mi possa far la carne.
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
5Tuttodì fanno dolorose le mie parole; Tutti i lor pensieri son contro a me a male.
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
6Si radunano insieme, stanno in agguato; spiano le mie pedate, Come aspettando di coglier l'anima mia.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
7In vano sarebbe il salvar loro la vita ; O Dio, trabocca i popoli nella tua ira.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
8Tu hai contate le mie fughe; Riponi le mie lagrime ne' tuoi barili; Non sono elleno nel tuo registro?
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
9Allora i miei nemici volteranno le spalle, nel giorno che io griderò; Questo so io, che Iddio è per me.
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
10Con l'aiuto di Dio, io loderò la sua parola; Con l'aiuto del Signore, io loderò la sua parola.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
11Io mi confido in Dio; Io non temerò cosa che mi possa far l'uomo.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
12Io ho sopra me i voti che io ti ho fatti, o Dio; Io ti renderò lodi.
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
13Conciossiachè tu abbi riscossa l'anima mia dalla morte; Non hai tu guardati i miei piedi di ruina, Acciocchè io cammini nel cospetto di Dio nella luce de' viventi?
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.