Salmi
Chapter 25
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 25

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O SIGNORE, io levo l'anima mia a te.
1Van David. Tot U verhef ik mijn ziel, O Jahweh, mijn God!
2Dio mio, io mi confido in te; fa' che io non sia confuso, E che i miei nemici non facciano festa di me.
2Op U blijf ik hopen; laat mij niet worden beschaamd, En den vijand niet de spot met mij drijven.
3Ed anche che niuno di quelli che sperano in te sia confuso; Sien confusi quelli che si portano dislealmente senza cagione.
3Neen, niemand die op U vertrouwt, wordt beschaamd; Alleen de afvalligen worden te schande.
4Signore, fammi conoscere le tue vie; Insegnami i tuoi sentieri.
4Jahweh, toon mij uw wegen, En maak mij uw paden bekend;
5Inviami nella tua verità, ed ammaestrami; Perciocchè tu sei l'Iddio della mia salute; Io ti attendo tuttodì.
5Laat mij wandelen in uw waarheid, Onderricht mij, want Gij zijt de God van mijn heil. Op U blijf ik altijd vertrouwen, Om uw goedheid, o Jahweh!
6Ricordati, Signore, delle tue compassioni, e delle tue benignità; Perciocchè sono ab eterno.
6Gedenk uw barmhartigheid, Jahweh; En uw ontferming, want ze zijn eeuwig!
7Non ridurti a memoria i peccati della mia giovanezza, Nè i miei misfatti; Secondo la tua benignità, ricordati di me, O Signore, per amore della tua bontà.
7Wees niet de zonden mijner jeugd en mijn fouten indachtig, Maar blijf mij gedenken naar uw genade.
8Il Signore è buono e diritto; Perciò egli insegnerà la via a' peccatori.
8Jahweh is goed en minzaam: Daarom wijst Hij de zondaars terecht.
9Egli invierà i mansueti nella dirittura, Ed insegnerà la sua via agli umili.
9De nederigen houdt Hij in het rechte spoor, Den eenvoudige toont Hij zijn pad;
10Tutte le vie del Signore son benignità e verità, Inverso quelli che guardano il suo patto e le sue testimonianze.
10Alle wegen van Jahweh zijn goedheid en trouw, Voor wie zijn Verbond en zijn Wet onderhoudt.
11O Signore, per amor del tuo Nome, Perdonami la mia iniquità; perciocchè ella è grande.
11O Jahweh, om wille van uw Naam, Vergeef mij mijn schuld, hoe groot zij ook is.
12Chi è l'uomo che tema il Signore? Egli gl'insegnerà la via ch'egli deve eleggere.
12Iedereen, die Jahweh vreest, Leert Hij, welke weg hij moet kiezen:
13L'anima sua dimorerà per mezzo i beni, E la sua progenie erederà la terra.
13Hijzelf zal steeds in voorspoed leven, Zijn kinderen zullen het Land bezitten.
14Il Signore dà a conoscere il suo consiglio ed il suo patto A quelli che lo temono.
14Jahweh’s vriendschap geldt hun, die Hem vrezen, Hij maakt hen deelachtig aan zijn Verbond.
15I miei occhi son del continuo verso il Signore; Perciocchè egli trarrà i miei piedi della rete.
15Mijn ogen zijn altijd op Jahweh gericht; Want Hij trekt mijn voet uit de strikken.
16Riguarda a me, ed abbi pietà di me; Perciocchè io son solo ed afflitto.
16Wend U tot mij, en wees mij genadig, Want ik ben eenzaam, ellendig.
17Le angosce del mio cuore si sono aumentate; Trammi delle mie distrette.
17Verlicht de druk van mijn hart, En bevrijd me van mijn benauwdheid!
18Vedi la mia afflizione ed il mio affanno; E perdonami tutti i miei peccati.
18Blik neer op mijn ellende en jammer, En vergeef mij al mijn zonden.
19Vedi i miei nemici; perciocchè son molti, E mi odiano d'un odio pieno di violenza.
19Zie, hoe talrijk mijn vijanden zijn, En hoe diep ze mij haten.
20Guarda l'anima mia, e riscuotimi; Fa' che io non sia confuso; perciocchè io mi confido in te.
20Behoed mij, en red mij; Laat mijn vertrouwen op U niet worden beschaamd!
21L'integrità e la dirittura mi guardino; Perciocchè io ho sperato in te.
21Maar mogen onschuld en deugd mij beschermen; Want op U blijf ik hopen, o Jahweh!
22O Dio, riscuoti Israele da tutte le sue tribolazioni.
22Verlos Israël uit al zijn ellenden, o God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.