Salmi 10
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O SIGNORE, perchè te ne stai lontano? Perchè ti nascondi a' tempi che siamo in distretta?
1Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
2L'empio colla sua superbia persegue il povero afflitto; Ma saranno presi nelle macchinazioni che hanno fatte.
2Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
3Perciocchè l'empio si gloria de' desiderii dell'anima sua; E benedice l'avaro, e dispetta il Signore.
3Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
4L'empio, secondo l'alterezza del suo volto, non si cura di nulla ; Tutti i suoi pensieri sono, che non vi è Dio.
4De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
5Le sue vie son profane in ogni tempo; I tuoi giudicii gli sono una cosa troppo alta, per averli davanti a sè; Egli soffia contro a tutti i suoi nemici.
5Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit;
6Egli dice nel suo cuore: Io non sarò giammai smosso; Egli dice , che in veruna età non caderà in alcun male.
6Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!”
7La sua bocca è piena di esecrazione, e di frodi, e d'inganno; Sotto la lingua sua vi è perversità ed iniquità.
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
8Egli sta negli agguati per le ville; Egli uccide l'innocente in luoghi nascosti; I suoi occhi spiano il povero.
8Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke,
9Egli insidia il povero nel suo nascondimento, Come il leone nella sua spelonca; Egli l'insidia per predarlo; Egli preda il povero, traendolo nella sua rete.
9Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
10Egli se ne sta quatto e chino; E molti poveri caggiono nelle sue unghie.
10Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen.
11Egli dice nel cuor suo: Iddio l'ha dimenticato; Egli ha nascosta la sua faccia, egli giammai non lo vedrà.
11En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
12Levati, Signore; o Dio, alza la tua mano; Non dimenticare i poveri afflitti.
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
13Perchè l'empio dispetta egli Iddio? Perchè dice egli nel cuor suo, che tu non ne ridomanderai ragione?
13Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!”
14Tu l 'hai pur veduto; perciocchè tu riguardi l'oltraggio e il dispetto, Per prendere il fatto in mano. Il povero si rimette in te; Tu sei l'aiutatore dell'orfano.
14Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
15Fiacca il braccio dell'empio; E poi, se tu ricerchi l'empietà del malvagio, non la troverai più .
15Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft.
16Il Signore è re in sempiterno; Le genti son perite dalla sua terra.
16Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land!
17O Signore, tu esaudisci il desiderio degli umili; Tu raffermi il cuor loro, le tue orecchie sono attente a loro;
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
18Per far ragione all'orfano e al povero; Acciocchè l'uomo di terra non continui più ad usar violenza.
18Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.