Salmi 109
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O DIO della mia lode, non tacere;
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Mijn God, tot wien mijn loflied klinkt, Zwijg toch niet stil!
2Perciocchè la bocca dell'empio e la bocca di frode si sono aperte contro a me; Hanno parlato meco con lingua bugiarda;
2Want men zet een mond vol boosheid en bedrog tegen mij op, En belastert mij met leugentongen;
3E mi hanno assediato con parole d'odio; E mi hanno fatta guerra senza cagione.
3Men bestookt mij met woorden van haat, En bestrijdt mij zonder enige grond;
4In vece dell'amore che ho loro portato, mi sono stati avversari; Ed io ho loro renduta preghiera.
4Men belaagt mij tot loon voor mijn liefde, En tot loon voor mijn bidden;
5Essi mi hanno renduto male per bene, E odio per lo mio amore.
5Men vergeldt mij kwaad voor goed, En haat voor mijn liefde.
6Costituisci il maligno sopra lui; E fa' che Satana gli stia alla destra.
6Stel een gewetenloos rechter over hem aan, En aan zijn rechterhand trede een valse aanklager op;
7Quando sarà giudicato, esca condannato; E la sua preghiera gli torni in peccato.
7Voor het gerecht worde hij schuldig bevonden, En smeke hij tevergeefs om genade.
8Sieno i suoi giorni pochi; Un altro prenda il suo ufficio.
8Mogen zijn dagen maar kort zijn, En zijn ambt aan een ander vervallen.
9Sieno i suoi figliuoli orfani, E la sua moglie vedova.
9Zijn kinderen mogen wezen, Zijn vrouw een weduwe worden;
10E vadano i suoi figliuoli del continuo vagando; E mendichino, ed accattino, uscendo fuor de' lor casolari.
10Mogen zijn zonen als bedelaars zwerven, Zelfs uit hun krotten worden verjaagd.
11L'usuraio tenda la rete a tutto ciò ch'egli ha; E rubino gli strani le sue fatiche.
11De woekeraar legge beslag op heel zijn bezit, En vreemden mogen met zijn verdiensten gaan strijken.
12Non siavi alcuno che stenda la sua benignità inverso lui; E non vi sia chi abbia pietà de' suoi orfani.
12Laat niemand zich zijner ontfermen, Niemand zich over zijn wezen erbarmen;
13Sieno distrutti i suoi discendenti; Sia cancellato il lor nome nella seconda generazione.
13Laat zijn kroost ten ondergang worden gedoemd, Zijn naam al verdwijnen in het eerste geslacht.
14Sia ricordata l'iniquità de' suoi padri appo il Signore; E il peccato di sua madre non sia cancellato.
14Moge Jahweh de misdaad zijner vaderen gedenken, En de schuld van zijn moeder nooit worden gedelgd;
15Sieno que' peccati del continuo nel cospetto del Signore; E stermini egli d'in su la terra la memoria di essi.
15Jahweh houde ze altijd voor ogen, Zodat zelfs hun aandenken van de aarde verdwijnt.
16Perciocchè egli non si è ricordato d'usar benignità, Ed ha perseguitato l'uomo povero, ed afflitto, E tribolato di cuore, per uccider lo .
16Want hij dacht er niet aan, barmhartig te zijn, Maar vervolgde den ellendige, arme en bedroefde ten dode.
17Poichè egli ha amata la maledizione, vengagli; E poichè non si è compiaciuto nella benedizione, allontanisi ella da lui.
17Hij hield van vervloeking: die treffe hem dan; Geen zegen wilde hij spreken: die blijve hem verre!
18E sia vestito di maledizione, come del suo manto; Ed entri quella come acqua nelle sue interiora, E come olio nelle sue ossa.
18De vloek trok hij aan als een kleed: Die dringe hem als water in het lijf, als olie in zijn gebeente;
19Siagli quella a guisa di vestimento, del quale egli sia avvolto; Ed a guisa di cintura, della quale sempre sia cinto.
19Die worde de mantel, waarin hij zich hult, De gordel, die hij altijd moet dragen.
20Tal sia, da parte del Signore, la ricompensa de' miei avversari, E di quelli che parlano male contro all'anima mia.
20Zó moge Jahweh mijn haters vergelden, En die laag van mij lasteren!
21Ma tu, o Signore Iddio, opera inverso me, per amor del tuo Nome; Liberami, perciocchè la tua benignità è buona.
21Maar treed Gìj voor mij op, o Jahweh, mijn Heer, En red mij omwille van uw Naam naar de rijkdom uwer genade!
22Perciocchè io sono afflitto, e povero; E il mio cuore è piagato dentro di me.
22Want ik ben arm en ellendig, En mijn hart krimpt ineen in mijn borst;
23Io me ne vo, come l'ombra quando dichina; Io sono agitato come una locusta.
23Ik zink weg als een verdwijnende schaduw, Word voortgejaagd als een sprinkhanenzwerm;
24Le mie ginocchia vacillano per li miei digiuni; E la mia carne è dimagrata, e non ha più grassezza alcuna.
24Van het vasten knikken mijn knieën, En mijn vermagerd lichaam schrompelt ineen.
25Ed anche son loro in vituperio; Quando mi veggono, scuotono la testa.
25Zó ben ik hun een bespotting geworden; Die mij zien, schudden meewarig het hoofd.
26Aiutami, Signore Iddio mio; Salvami secondo la tua benignità.
26Help mij, Jahweh, mijn God, En red mij naar uw genade;
27E sappiano che questo è la tua mano, E che tu, Signore, hai fatto questo.
27Opdat men erkenne, dat het uw hand is, Jahweh: dat Gij het volbracht!
28Essi malediranno, e tu benedirai; Si sono innalzati, ma saran confusi, Ed il tuo servitore si rallegrerà.
28Laat hèn dan maar vloeken, als Gìj mij wilt zegenen; Mijn vijand zich schamen, maar uw knecht zich verheugen;
29Sieno i miei avversari vestiti di vituperio, Ed avvolti della lor vergogna, come di un mantello.
29Mogen mijn tegenstanders met smaad worden bekleed, En zich in hun schande hullen als in een mantel!
30Io celebrerò altamente il Signore colla mia bocca; E lo loderò in mezzo de' grandi.
30Dan zal ik Jahweh juichend danken, En voor een talloze schare Hem prijzen;
31Perciocchè egli sta alla destra del povero, Per salvar lo da quelli che lo condannano a morte.
31Omdat Hij aan de rechterhand van den ongelukkige staat, Om hem te redden, van die hem verdoemen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.