Salmi
Chapter 21
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 21

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1SIGNORE, il re si rallegrerà nella tua forza; E quanto festeggerà egli grandemente della tua vittoria!
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, in uw schutse verheugt zich de koning; Hoe blijde juicht hij om uw hulp!
2Tu gli hai dato il desio del suo cuore, E non gli hai rifiutato quel ch'egli ha pronunziato colle sue labbra. (Sela.)
2Gij hebt zijn hartewens vervuld, De bede zijner lippen niet afgewezen.
3Perciocchè tu gli sei venuto incontro con benedizioni di beni; Tu gli hai posta in sul capo una corona d'oro finissimo.
3Neen, Gij tradt hem tegen met rijke zegen, En zette hem een gouden kroon op het hoofd.
4Egli ti aveva chiesta vita. E tu gli hai dato lunghezza di giorni in perpetuo.
4Léven vroeg hij U: Gij hebt het hem geschonken, Lengte van dagen: voor eeuwig en immer.
5La sua gloria è grande per la tua vittoria; Tu hai messa sopra lui maestà e magnificenza;
5Groot is zijn majesteit door uw hulp, Gij hebt hem met glorie en luister getooid;
6Perciocchè tu l'hai posto in benedizioni in perpetuo; Tu l'hai rallegrato di letizia col tuo volto.
6Want Gij hebt hem overstelpt met zegen voor immer, Hem met vreugde overstroomd voor uw aanschijn.
7Perciocchè il re si confida nel Signore, E nella benignità dell'Altissimo, egli non sarà giammai smosso.
7Ja, de koning blijft op Jahweh vertrouwen, Op de gunst van den Allerhoogste, zonder te wankelen!
8La tua mano troverà tutti i tuoi nemici; La tua destra troverà quelli che t'odiano.
8Uw hand zal al uw vijanden treffen, Uw rechterhand al die u haten;
9Tu li renderai simili ad un forno ardente, Al tempo della tua ira; Il Signore li abisserà nel suo cruccio, E il fuoco li divorerà.
9Gij zult ze doen blozen als een gloeiende oven, Wanneer gij maar een blik op hen werpt. Jahweh zal in zijn toorn ze verslinden, En het vuur ze verteren.
10Tu farai perire il frutto loro d'in sulla terra, E la lor progenie d'infra i figliuoli degli uomini;
10Hun vrucht zult gij van de aarde verdelgen, Hun kroost onder de kinderen der mensen.
11Perciocchè hanno ordito del male contro a te, Ed hanno divisata una malizia, della quale però non potranno venire a capo .
11En als ze u kwaad willen doen, Of boze plannen beramen, bereiken zij niets;
12Perciocchè tu li metterai per tuo bersaglio; Tu tirerai diritto colle corde de 'tuoi archi contro alla lor faccia.
12Want gij zult ze de hielen doen lichten, En met uw boog op hen mikken.
13Innalzati, Signore, colla tua forza; Noi canteremo, e salmeggeremo la tua potenza.
13Sta op dan, Jahweh, in uw kracht; Dan zingen en prijzen wij uw macht!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.