Proverbi
Chapter 1
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbi 1

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I PROVERBI di Salomone, figliuolo di Davide, Re d'Israele;
1Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël:
2Per conoscere sapienza ed ammaestramento, Per intendere i detti di senno;
2Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden;
3Per ricevere ammaestramento di buon senno, Di giustizia, di giudicio e di dirittura;
3Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid.
4Per dare avvedimento a' semplici. E conoscenza, ed accorgimento a' fanciulli.
4Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis.
5Il savio li udirà, e ne accrescerà la sua scienza; E l' uomo intendente ne acquisterà buoni consigli, e governo;
5Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen;
6Per comprender le sentenze ed i bei motti, Le parole de' savi ed i lor detti oscuri.
6Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen.
7IL timor del Signore è il capo della scienza; Ma gli stolti sprezzano la sapienza e l'ammaestramento.
7Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht.
8Ascolta, figliuol mio l'ammaestramento di tuo padre; E non lasciar l'insegnamento di tua madre;
8Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde;
9Perciocchè saranno un fregio grazioso al tuo capo, E collane al tuo collo.
9Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer.
10Figliuol mio, se i peccatori ti vogliono sedurre, Non acconsentir loro .
10Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe,
11Se dicono: Vieni con noi, poniamo agguati al sangue, Insidiamo di nascosto l'innocente impunitamente;
11Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen,
12Tranghiottiamoli tutti vivi, come il sepolcro; E tutti intieri, a guisa di quelli che scendono nella fossa;
12Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al;
13Noi troveremo ogni sorte di preziosi beni, Noi empieremo le nostre case di spoglie;
13Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit;
14Tu trarrai la tua sorte con noi; Fra noi non vi sarà che una sola borsa;
14Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen!
15Figliuol mio, non inviarti con loro; Rattieni il tuo piè dal lor sentiero.
15Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad;
16Perciocchè i lor piedi corrono al male, E si affrettano a spandere il sangue.
16Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten.
17Perciocchè invano si tende la rete Dinanzi agli occhi d'ogni uccello;
17Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien:
18Ma essi pongono agguati al lor proprio sangue, Ed insidiano nascosamente l'anima loro.
18Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven!
19Tali sono i sentieri d'ogni uomo dato all'avarizia; Ella coglie l'anima di coloro in cui ella si trova.
19Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven.
20LA somma Sapienza grida di fuori; Ella fa sentir la sua voce per le piazze;
20De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem;
21Ella grida in capo de' luoghi delle turbe; Ella pronunzia i suoi ragionamenti nell'entrate delle porte, nella città,
21Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten:
22Dicendo: Infino a quando, o scempi, amerete la scempietà? Ed infino a quando gli schernitori prenderanno piacere in ischernire, Ed i pazzi avranno in odio la scienza?
22Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen?
23Convertitevi alla mia riprensione; Ecco, io vi sgorgherò lo spirito mio; Io vi farò assapere le mie parole.
23Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend.
24Perciocchè io ho gridato, e voi avete ricusato di ascoltare ; Io ho distesa la mano, e niuno ha porto attenzione;
24Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef;
25Ed avete lasciato ogni mio consiglio, E non avete gradita la mia correzione;
25Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten:
26Io altresì riderò della vostra calamità; Io mi farò beffe, quando il vostro spavento sarà venuto;
26Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer;
27Quando il vostro spavento sarà venuto, a guisa di ruina, E la vostra calamità sarà giunta, a guisa di turbo; Quando angoscia e distretta vi sarà sopraggiunta.
27Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen!
28Allora essi grideranno a me, ma io non risponderò; Mi ricercheranno sollecitamente, ma non mi troveranno;
28Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden!
29Perciocchè hanno odiata la scienza, E non hanno eletto il timor del Signore;
29Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen,
30E non hanno gradito il mio consiglio, Ed hanno disdegnata ogni mia correzione.
30Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen:
31Perciò mangeranno del frutto delle lor vie, E saranno saziati de' lor consigli.
31Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden.
32Perciocchè lo sviamento degli scempi li uccide, E l'error degli stolti li fa perire.
32Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf;
33Ma chi mi ascolta abiterà in sicurtà, E viverà in riposo, fuor di spavento di male.
33Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.