Proverbi
Chapter 20
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbi 20

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Il vino è schernitore, e la cervogia è tumultuante; E chiunque ne è vago non è savio.
1De wijn is een spotter, de drank luidruchtig; Onwijs is hij, die zich eraan te buiten gaat.
2Il terrore del re è come il ruggito del leoncello; Chi lo provoca ad indegnazione pecca contro a sè stesso.
2Een toornig koning brult als een leeuw; Wie hem prikkelt, vergrijpt zich aan zichzelf.
3Egli è gloria all'uomo di rimanersi di contesa; Ma chiunque è stolto si fa schernire.
3Het is een eer voor den mens, buiten twisten te blijven; Alleen dwazen zoeken ruzie.
4Il pigro non ara per cagion del freddo; E poi nella ricolta va accattando, e non trova nulla.
4Als een luiaard in de herfst niet wil ploegen, Zoekt hij in de oogsttijd tevergeefs.
5Il consiglio nel cuor dell'uomo è un'acqua profonda; E l'uomo intendente l'attignerà.
5Diep water is het, wat iemand bij zichzelf overlegt; Maar een verstandig mens weet het te putten.
6Il più degli uomini predicano ciascuno la sua benignità; Ma chi troverà un uomo verace?
6Velen worden vriendelijke mensen genoemd; Waar vindt men echter iemand, die betrouwbaar is?
7I figliuoli del giusto, che cammina nella sua integrità, Saranno beati dopo di lui.
7Een deugdzaam mens, die onberispelijk wandelt: Ook na zijn dood gaat het zijn kinderen goed.
8Il re, sedendo sopra il trono del giudicio, Dissipa ogni male con gli occhi suoi.
8De koning, die op zijn rechterstoel zit, Zift met zijn ogen al wat slecht is.
9Chi può dire: Io ho purgato il mio cuore, Io son netto del mio peccato?
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein gehouden, Ik ben vrij van zonde?
10Doppio peso, e doppio staio, Sono amendue cosa abbominevole al Signore.
10Tweeërlei gewicht en tweeërlei maat: Jahweh heeft van beide een afschuw.
11Fin da fanciullo l'uomo è riconosciuto da' suoi atti, Se egli sarà puro, e se le sue opere saranno diritte.
11Zelfs uit het gedrag van een kind kan men opmaken, Of zijn daden zuiver zijn en oprecht.
12Il Signore ha fatte amendue queste cose: E l'orecchio che ode, e l'occhio che vede.
12Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt.
13Non amare il sonno, che tu non impoverisca; Tieni gli occhi aperti, e sarai saziato di pane.
13Wees niet verzot op slapen, anders wordt ge arm; Houd uw ogen open, en ge krijgt eten genoeg.
14Chi compera dice: Egli è cattivo, egli è cattivo; Ma quando se n'è andato, allora si vanta.
14Slecht! Slecht! klaagt de koper; Maar als hij is weggegaan, gaat hij er groot op
15Vi è dell'oro, e delle perle assai; Ma le labbra di scienza sono un vaso prezioso.
15Er is goud, er zijn veel juwelen, Maar het kostbaarst bezit zijn verstandige lippen.
16Prendi pure il vestimento di chi ha fatta sicurtà per lo strano; Prendi pegno da lui per gli stranieri.
16Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis een pand van hem, terwille van vreemden.
17Il pane acquistato con frode è soave all'uomo; Ma poi la sua bocca si trova piena di ghiaia.
17Gestolen brood smaakt iemand wel goed, Maar achteraf heeft hij een mond vol zand.
18I disegni son renduti stabili con consiglio; Fa' dunque la guerra con prudenti deliberazioni.
18Alleen door beraad komen plannen ten uitvoer; Voer dus de strijd met beleid.
19Chi va sparlando palesa il segreto: Non rimescolarti adunque con chi è allettante di labbra.
19Wie altijd maar babbelt, verraadt licht een geheim; Bemoei u dus niet met een praatvaar.
20La lampana di chi maledice suo padre, o sua madre, Sarà spenta nelle più oscure tenebre.
20Als iemand zijn vader en moeder vervloekt, Gaat zijn lamp uit, wanneer de duisternis intreedt.
21L'eredità acquistata di subito da principio Non sarà benedetta alla fine.
21Een bezit, te spoedig verkregen, Brengt tenslotte geen zegen.
22Non dire: Io renderò il male; Aspetta il Signore, ed egli ti salverà.
22Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen.
23Doppio peso è cosa abbominevole al Signore; E le bilance fallaci non sono buone.
23Tweeërlei gewicht is een gruwel voor Jahweh, Een valse weegschaal is kwaad.
24I passi dell'uomo sono dal Signore; E come intenderà l'uomo la sua via?
24Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien?
25Dire inconsideratamente: Questa è cosa sacra; E riflettere dopo aver fatti i voti, è un laccio all'uomo.
25In de val loopt hij, die ijlings “Heilig” roept En eerst ná zijn geloften overlegt.
26Il re savio dissipa gli empi, E rimena la ruota sopra loro.
26Een wijs koning zift de bozen uit, En laat het rad over hen heengaan.
27L'anima dell'uomo è una lampana del Signore, Che investiga tutti i segreti nascondimenti del ventre.
27Jahweh slaat de geest der mensen gade En doorzoekt alle schuilhoeken der ziel.
28Benignità e verità guardano il re; Ed egli ferma il suo trono per benignità.
28Liefde en trouw beschermen den koning, Op rechtvaardigheid stut hij zijn troon.
29La forza de' giovani è la lor gloria; E l'onor de' vecchi è la canutezza.
29Het sieraad der jongemannen is hun kracht, Grijze haren zijn de pronk van de ouderdom.
30I lividori delle battiture, e le percosse che penetrano addentro nel ventre Sono una lisciatura nel malvagio.
30Bloedige striemen polijsten het hart, Slagen de schuilhoeken der ziel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.