Proverbi 22
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1La fama è più a pregiare che grandi ricchezze; E la buona grazia più che argento, e che oro.
1Een goede naam is meer waard dan een groot vermogen, Bemind te zijn is beter dan zilver en goud.
2Il ricco e il povero si scontrano l'un l'altro; Il Signore è quello che li ha fatti tutti.
2Rijk en arm ontmoeten elkaar, Jahweh is hun aller Schepper.
3L' uomo avveduto vede il male, e si nasconde; Ma gli scempi passano oltre, e ne portano pena.
3De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
4Il premio della mansuetudine e del timor del Signore È ricchezze, e gloria, e vita.
4Het loon voor ootmoed en vreze voor Jahweh Is rijkdom, aanzien en leven.
5Spine e lacci son nella via del l'uomo perverso; Chi guarda l'anima sua sarà lungi da queste cose.
5Doornen en strikken liggen op de weg van den valsaard; Wie zijn leven liefheeft, blijft er ver vandaan.
6Ammaestra il fanciullo, secondo la via ch'egli ha da tenere; Egli non si dipartirà da essa, non pur quando sarà diventato vecchio.
6Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, Dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af.
7Il ricco signoreggia sopra i poveri; E chi prende in prestanza è servo del prestatore.
7Wie rijk is, heerst over de armen; Wie leent, wordt de slaaf van wie uitleent.
8Chi semina iniquità mieterà vanità; E la verga della sua indegnazione verrà meno.
8Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; De vrucht van zijn arbeid gaat te niet.
9L'uomo che è d'occhio benigno sarà benedetto; Perciocchè egli ha dato del suo pane al povero.
9Een vriendelijk mens wordt gezegend, Want hij deelt met den arme zijn brood.
10Caccia lo schernitore, e le contese usciranno fuori; E le liti, ed i vituperi cesseranno.
10Jaag den spotter weg, en het twisten houdt op, Er komt een eind aan vechten en schimpen.
11Chi ama la purità del cuore Avrà il re per amico, per la grazia delle sue labbra.
11De zuivere van harte wordt door Jahweh bemind, De vleier is de vriend van den koning.
12Gli occhi del Signore guardano l'uomo dotato di conoscimento; Ma egli sovverte i fatti del disleale.
12De ogen van Jahweh houden vol kennis de wacht; Hij verijdelt de woorden van den zondaar.
13Il pigro dice: Il leone è fuori; Io sarei ucciso per le campagne.
13De luiaard zegt: Buiten loopt een leeuw, Midden op straat word ik nog verscheurd!
14La bocca delle donne straniere è una fossa profonda; Colui contro a cui il Signore è indegnato vi caderà dentro.
14Een diepe kuil is de mond van vreemde vrouwen; Op wien Jahweh vertoornd is, die valt erin.
15La follia è attaccata al cuor del fanciullo; La verga della correzione la dilungherà da lui.
15Al zit de dwaasheid in het hart van een kind geworteld, De tuchtroede haalt ze er uit!
16Chi fa torto al povero, per accrescere il suo, E chi dona al ricco, di certo caderà in inopia.
16Wie een arme verdrukt, brengt hem voordeel; Wie aan een rijkaard iets geeft, veroorzaakt gebrek
17INCHINA il tuo orecchio, ed ascolta le parole de' Savi, E reca il tuo cuore alla dottrina.
17Woorden van wijzen Neig uw oor en luister naar mijn woorden; Zet uw aandacht erop, om ze te leren kennen.
18Perciocchè ti sarà cosa soave, se tu le guardi nel tuo cuore, E se tutte insieme sono adattate in su le tue labbra.
18Het is goed, als ge ze ter harte neemt, En ze allen bestendig op uw lippen hebt.
19Io te le ho pur fatte assapere, Acciocchè la tua confidanza sia nel Signore.
19Opdat ge in Jahweh uw vertrouwen moogt stellen, Maak ik ze heden bekend, ook aan u!
20Non ti ho io scritto cose eccellenti In consigli e in dottrina?
20Een dertigtal heb ik er voor u opgeschreven: Ze bevatten goede raad en ervaring;
21Per farti conoscere la certezza delle parole di verità; Acciocchè tu possa rispondere parole di verità a quelli che ti manderanno.
21Ze leren u de waarheid en betrouwbare woorden, Zodat ge een goed antwoord kunt geven aan hen die u ondervragen
22Non predare il povero, perchè egli è povero; E non oppressar l'afflitto nella porta;
22Buit een arme niet uit, omdat hij arm is, Trap in de poort niet op den kleinen man;
23Perciocchè il Signore difenderà la causa loro, Ed involerà l'anima di coloro che li avranno involati.
23Want Jahweh zal het voor hen opnemen, En die hèn beroven, van het leven beroven.
24Non accompagnarti con l'uomo collerico; E non andar con l'uomo iracondo;
24Sluit geen vriendschap met een driftkop, Laat u niet in met een heethoofd;
25Che talora tu non impari i suoi costumi, E non prenda un laccio all'anima tua.
25Anders raakt ge vertrouwd met hun wegen, En zet ge een valstrik voor uzelf.
26Non esser di quelli che percuotono nella palma della mano, Nè di quelli che fanno sicurtà per debiti.
26Behoor niet tot hen, die handslag geven, En borg blijven voor schulden;
27Per qual cagione, se tu non avessi da pagare, Ti si torrebbe egli il letto di sotto?
27Als ge niets hebt om te betalen, Haalt men het bed onder u weg.
28Non rimuovere il termine antico, Che i tuoi padri hanno posto.
28Raak niet aan de eeuwenoude grenzen, Die uw voorvaderen hebben getrokken.
29Hai tu mai veduto un uomo spedito nelle sue faccende? Un tale comparirà nel cospetto del re, E non comparirà davanti a gente bassa.
29Ziet ge iemand die handig is met zijn werk, Hij komt bij koningen in dienst; Het gewone volk hoeft hij niet te dienen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.