Proverbi
Chapter 31
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbi 31

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Le parole del re Lemuel; il sermone profetico, col quale sua madre l'ammaestrò.
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
2CHE, figliuol mio? Che, figliuolo del seno mio? E che, figliuolo de' miei voti?
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
3Non dar la tua forza alle donne, Nè i tuoi costumi a ciò che è per distruggere i re.
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
4Ei non si conviene ai re, o Lemuel, Ei non si conviene ai re d'esser bevitori di vino, Nè a' principi d'esser bevitori di cervogia;
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
5Che talora eglino, avendo bevuto, non dimentichino gli statuti, E non pervertano il diritto di qualunque povero afflitto.
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
6Date la cervogia al miserabile, E il vino a quelli che sono in amaritudine d'animo;
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
7Acciocchè bevano, e dimentichino la lor miseria, E non si ricordino più de' lor travagli.
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
8Apri la tua bocca per lo mutolo, Per mantenere la ragion di tutti quelli che sono in pericolo di perire.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
9Apri la tua bocca; giudica giustamente; Fa' diritto al povero ed al bisognoso.
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
10Chi troverà una donna di valore? Il prezzo di essa avanza di gran lunga quello del le perle.
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
11Il cuor del suo marito si fida in lei; Ed egli non avrà giammai mancamento di veste.
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
12Ella gli fa del bene, e non del male, Tutto il tempo della sua vita.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
13Ella cerca della lana e del lino, E lavora delle sue mani con diletto.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
14Ella è come le navi de' mercatanti: Ella fa venire il suo pane da lungi.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
15Ella si leva, mentre è ancora notte, E dà il cibo alla sua famiglia, Ed ordina alle sue serventi il lor lavoro.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
16Ella considera un campo, e l'acquista; Ella pianta una vigna del frutto delle sue mani.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
17Ella si cinge i lombi di forza, E fortifica le sue braccia.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
18Perciocchè il suo traffico è buono, ella lo gusta; La sua lampana non si spegne di notte.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
19Ella mette la mano al fuso, E le sue palme impugnano la conocchia.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
20Ella allarga la mano all'afflitto, E porge le mani al bisognoso.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
21Ella non teme della neve per la sua famiglia; Perciocchè tutta la sua famiglia è vestita a doppio.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
22Ella si fa de' capoletti; Fin lino, e porpora sono il suo vestire.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
23Il suo marito è conosciuto nelle porte, Quando egli siede con gli anziani del paese.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
24Ella fa de' veli, e li vende; E delle cinture, le quali ella dà a' mercatanti.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
25Ella è vestita di gloria e d'onore; E ride del giorno a venire.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
26Ella apre la bocca con sapienza, E la legge della benignità è sopra la sua lingua.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
27Ella considera gli andamenti della sua casa, E non mangia il pan di pigrizia.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
28I suoi figliuoli si levano, e la predicano beata, Il suo marito anch'egli , e la loda;
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
29Dicendo: Molte donne si son portate valorosamente; Ma tu le sopravanzi tutte.
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
30La grazia è cosa fallace, e la bellezza è cosa vana; Ma la donna che ha il timor del Signore sarà quella che sarà lodata.
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
31Datele del frutto delle sue mani; E lodinla le sue opere nelle porte.
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.