Sprüche
Chapter 31
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Sprüche 31

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dies sind die Worte des Königs Lamuel, die Lehre, die ihn seine Mutter lehrte.
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
2Ach mein Auserwählter, ach du Sohn meines Leibes, ach mein gewünschter Sohn,
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
3laß nicht den Weibern deine Kraft und gehe die Wege nicht, darin sich die Könige verderben!
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
4O, nicht den Königen, Lamuel, nicht den Königen ziemt es, Wein zu trinken, noch den Fürsten starkes Getränk!
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
5Sie möchten trinken und der Rechte vergessen und verändern die Sache aller elenden Leute.
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
6Gebt starkes Getränk denen, die am Umkommen sind, und den Wein den betrübten Seelen,
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
7daß sie trinken und ihres Elends vergessen und ihres Unglücks nicht mehr gedenken.
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
8Tue deinen Mund auf für die Stummen und für die Sache aller, die verlassen sind.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
9Tue deinen Mund auf und richte recht und räche den Elenden und Armen.
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
10Wem ein tugendsam Weib beschert ist, die ist viel edler denn die köstlichsten Perlen.
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
11Ihres Mannes Herz darf sich auf sie verlassen, und Nahrung wird ihm nicht mangeln.
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
12Sie tut ihm Liebes und kein Leides ihr Leben lang.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
13Sie geht mit Wolle und Flachs um und arbeitet gern mit ihren Händen.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
14Sie ist wie ein Kaufmannsschiff, das seine Nahrung von ferne bringt.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
15Sie steht vor Tages auf und gibt Speise ihrem Hause und Essen ihren Dirnen.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
16Sie denkt nach einem Acker und kauft ihn und pflanzt einen Weinberg von den Früchten ihrer Hände.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
17Sie gürtet ihre Lenden mit Kraft und stärkt ihre Arme.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
18Sie merkt, wie ihr Handel Frommen bringt; ihre Leuchte verlischt des Nachts nicht.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
19Sie streckt ihre Hand nach dem Rocken, und ihre Finger fassen die Spindel.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
20Sie breitet ihre Hände aus zu dem Armen und reicht ihre Hand dem Dürftigen.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
21Sie fürchtet für ihr Haus nicht den Schnee; denn ihr ganzes Haus hat zwiefache Kleider.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
22Sie macht sich selbst Decken; feine Leinwand und Purpur ist ihr Kleid.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
23Ihr Mann ist bekannt in den Toren, wenn er sitzt bei den Ältesten des Landes.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
24Sie macht einen Rock und verkauft ihn; einen Gürtel gibt sie dem Krämer.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
25Kraft und Schöne sind ihr Gewand, und sie lacht des kommenden Tages.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
26Sie tut ihren Mund auf mit Weisheit, und auf ihrer Zunge ist holdselige Lehre.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
27Sie schaut, wie es in ihrem Hause zugeht, und ißt ihr Brot nicht mit Faulheit.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
28Ihre Söhne stehen auf und preisen sie selig; ihr Mann lobt sie:
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
29“Viele Töchter halten sich tugendsam; du aber übertriffst sie alle.”
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
30Lieblich und schön sein ist nichts; ein Weib, das den HERRN fürchtet, soll man loben.
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
31Sie wird gerühmt werden von den Früchten ihrer Hände, und ihre Werke werden sie loben in den Toren.
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.