Sprüche 19
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ein Armer, der in seiner Frömmigkeit wandelt, ist besser denn ein Verkehrter mit seinen Lippen, der doch ein Narr ist.
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
2Wo man nicht mit Vernunft handelt, da geht's nicht wohl zu; und wer schnell ist mit Füßen, der tut sich Schaden.
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
3Die Torheit eines Menschen verleitet seinen Weg, und doch tobt sein Herz wider den HERRN.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
4Gut macht viele Freunde; aber der Arme wird von seinen Freunden verlassen.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
5Ein falscher Zeuge bleibt nicht ungestraft; und wer Lügen frech redet, wird nicht entrinnen.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
6Viele schmeicheln der Person des Fürsten; und alle sind Freunde des, der Geschenke gibt.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
7Den Armen hassen alle seine Brüder; wie viel mehr halten sich seine Freunde von ihm fern! Und wer sich auf Worte verläßt, dem wird nichts.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
8Wer klug wird, liebt sein Leben; und der Verständige findet Gutes.
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
9Ein falscher Zeuge bleibt nicht ungestraft; und wer frech Lügen redet, wird umkommen.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
10Dem Narren steht nicht wohl an, gute Tage haben, viel weniger einem Knecht, zu herrschen über Fürsten.
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
11Wer geduldig ist, der ist ein kluger Mensch, und ist ihm eine Ehre, daß er Untugend überhören kann.
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
12Die Ungnade des Königs ist wie das Brüllen eines jungen Löwen; aber seine Gnade ist wie der Tau auf dem Grase.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
13Ein törichter Sohn ist seines Vaters Herzeleid, und ein zänkisches Weib ein stetiges Triefen.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
14Haus und Güter vererben die Eltern; aber ein vernünftiges Weib kommt vom HERRN.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
15Faulheit bringt Schlafen, und eine lässige Seele wird Hunger leiden.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
16Wer das Gebot bewahrt, der bewahrt sein Leben; wer aber seines Weges nicht achtet, wird sterben.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
17Wer sich des Armen erbarmt, der leihet dem HERRN; der wird ihm wieder Gutes vergelten.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
18Züchtige deinen Sohn, solange Hoffnung da ist; aber laß deine Seele nicht bewegt werden, ihn zu töten.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
19Großer Grimm muß Schaden leiden; denn willst du ihm steuern, so wird er noch größer.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
20Gehorche dem Rat, und nimm Zucht an, daß du hernach weise seiest.
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
21Es sind viel Anschläge in eines Mannes Herzen; aber der Rat des HERRN besteht.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
22Ein Mensch hat Lust an seiner Wohltat; und ein Armer ist besser denn ein Lügner.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
23Die Furcht des HERRN fördert zum Leben, und wird satt bleiben, daß kein Übel sie heimsuchen wird.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
24Der Faule verbirgt seine Hand im Topf und bringt sie nicht wieder zum Munde.
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
25Schlägt man den Spötter, so wird der Unverständige klug; straft man einen Verständigen, so wird er vernünftig.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
26Wer Vater verstört und Mutter verjagt, der ist ein schändliches und verfluchtes Kind.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
27Laß ab, mein Sohn, zu hören die Zucht, und doch abzuirren von vernünftiger Lehre.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
28Ein loser Zeuge spottet des Rechts, und der Gottlosen Mund verschlingt das Unrecht.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
29Den Spöttern sind Strafen bereitet, und Schläge auf der Narren Rücken.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.