Sprüche 1
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dies sind die Sprüche Salomos, des Königs in Israel, des Sohnes Davids,
1Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël:
2zu lernen Weisheit und Zucht, Verstand
2Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden;
3Klugheit, Gerechtigkeit, Recht und Schlecht;
3Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid.
4daß die Unverständigen klug und die Jünglinge vernünftig und vorsichtig werden.
4Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis.
5Wer weise ist der hört zu und bessert sich; wer verständig ist, der läßt sich raten,
5Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen;
6daß er verstehe die Sprüche und ihre Deutung, die Lehre der Weisen und ihre Beispiele.
6Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen.
7Des HERRN Furcht ist Anfang der Erkenntnis. Die Ruchlosen verachten Weisheit und Zucht.
7Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht.
8Mein Kind, gehorche der Zucht deines Vaters und verlaß nicht das Gebot deiner Mutter.
8Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde;
9Denn solches ist ein schöner Schmuck deinem Haupt und eine Kette an deinem Hals.
9Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer.
10Mein Kind, wenn dich die bösen Buben locken, so folge nicht.
10Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe,
11Wenn sie sagen: “Gehe mit uns! wir wollen auf Blut lauern und den Unschuldigen ohne Ursache nachstellen;
11Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen,
12wir wollen sie lebendig verschlingen wie die Hölle und die Frommen wie die, so hinunter in die Grube fahren;
12Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al;
13wir wollen großes Gut finden; wir wollen unsre Häuser mit Raub füllen;
13Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit;
14wage es mit uns! es soll unser aller ein Beutel sein”:
14Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen!
15mein Kind, wandle den Weg nicht mit ihnen; wehre deinem Fuß vor ihrem Pfad.
15Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad;
16Denn ihr Füße laufen zum Bösen und eilen, Blut zu vergießen.
16Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten.
17Denn es ist vergeblich, das Netz auswerfen vor den Augen der Vögel.
17Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien:
18Sie aber lauern auf ihr eigen Blut und stellen sich selbst nach dem Leben.
18Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven!
19Also geht es allen, die nach Gewinn geizen, daß ihr Geiz ihnen das Leben nimmt.
19Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven.
20Die Weisheit klagt draußen und läßt sich hören auf den Gassen;
20De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem;
21sie ruft in dem Eingang des Tores, vorn unter dem Volk; sie redet ihre Worte in der Stadt:
21Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten:
22Wie lange wollt ihr Unverständigen unverständig sein und die Spötter Lust zu Spötterei und die Ruchlosen die Lehre hassen?
22Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen?
23Kehret euch zu meiner Strafe. Siehe, ich will euch heraussagen meinen Geist und euch meine Worte kundtun.
23Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend.
24Weil ich denn rufe, und ihr weigert euch, ich recke meine Hand aus, und niemand achtet darauf,
24Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef;
25und laßt fahren allen meinen Rat und wollt meine Strafe nicht:
25Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten:
26so will ich auch lachen in eurem Unglück und eurer spotten, wenn da kommt, was ihr fürchtet,
26Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer;
27wenn über euch kommt wie ein Sturm, was ihr fürchtet, und euer Unglück als ein Wetter, wenn über euch Angst und Not kommt.
27Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen!
28Dann werden sie nach mir rufen, aber ich werde nicht antworten; sie werden mich suchen, und nicht finden.
28Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden!
29Darum, daß sie haßten die Lehre und wollten des HERRN Furcht nicht haben,
29Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen,
30wollten meinen Rat nicht und lästerten alle meine Strafe:
30Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen:
31so sollen sie essen von den Früchten ihres Wesens und ihres Rats satt werden.
31Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden.
32Was die Unverständigen gelüstet, tötet sie, und der Ruchlosen Glück bringt sie um.
32Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf;
33Wer aber mir gehorcht, wird sicher bleiben und genug haben und kein Unglück fürchten.
33Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.