Sprüche 29
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Wer wider die Strafe halsstarrig ist, der wird plötzlich verderben ohne alle Hilfe.
1Iemand die hardnekkig blijft, ondanks vermaning, Wordt plotseling onherstelbaar gebroken.
2Wenn der Gerechten viel sind, freut sich das Volk; wenn aber der Gottlose herrscht, seufzt das Volk.
2Als rechtvaardigen heersen, verheugt zich het volk; Als de boze regeert, zuchten de mensen.
3Wer Weisheit liebt, erfreut seinen Vater; wer aber mit Huren umgeht, kommt um sein Gut.
3Een man, die de wijsheid liefheeft, is een vreugde voor zijn vader; Wie zich ophoudt met deernen, verkwist zijn vermogen.
4Ein König richtet das Land auf durchs Recht; ein geiziger aber verderbt es.
4Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; Wie veel belastingen heft, put het uit.
5Wer mit seinem Nächsten heuchelt, der breitet ein Netz aus für seine Tritte.
5Iemand die zijn naaste vleit, Spant een strik voor zijn voeten.
6Wenn ein Böser sündigt, verstrickt er sich selbst; aber ein Gerechter freut sich und hat Wonne.
6Op het pad van een booswicht ligt een valstrik, Maar de rechtvaardige loopt vrolijk voort.
7Der Gerechte erkennt die Sache der Armen; der Gottlose achtet keine Vernunft.
7De rechtvaardige houdt rekening met de rechten der armen, De boze echter verstaat geen reden.
8Die Spötter bringen frech eine Stadt in Aufruhr; aber die Weisen stillen den Zorn.
8Spotters steken een stad in brand, Wijzen bedaren het oproer.
9Wenn ein Weiser mit einem Narren zu rechten kommt, er zürne oder lache, so hat er nicht Ruhe.
9Als een dwaas een rechtszaak heeft met een wijze, Is hij luidruchtig en vrolijk, maar heeft geen rust.
10Die Blutgierigen hassen den Frommen; aber die Gerechten suchen sein Heil.
10Bloeddorstige mensen haten den deugdzame, De goeden zijn bezorgd voor zijn leven.
11Ein Narr schüttet seinen Geist ganz aus; aber ein Weiser hält an sich.
11De dwaas laat zijn toorn de vrije loop, De wijze houdt zijn gramschap inl.
12Ein Herr, der zu Lügen Lust hat, des Diener sind alle gottlos.
12Als een vorst geloof schenkt aan leugentaal, Worden al zijn dienaren slecht.
13Arme und Reiche begegnen einander: beider Augen erleuchtet der HERR.
13Een arme en een geldschieter ontmoeten elkaar: Jahweh schenkt beiden het licht der ogen.
14Ein König, der die Armen treulich richtet, des Thron wird ewig bestehen.
14Als een koning de armen billijk behandelt, Staat zijn troon voor altijd sterk.
15Rute und Strafe gibt Weisheit; aber ein Knabe, sich selbst überlassen, macht seiner Mutter Schande.
15Een stok en een vermaning schenken wijsheid; Een kind, dat aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder te schande.
16Wo viele Gottlose sind, da sind viel Sünden; aber die Gerechten werden ihren Fall erleben.
16Als de bozen regeren, tiert de misdaad; Als zij vallen, zien de rechtvaardigen met vreugde toe.
17Züchtige deinen Sohn, so wird er dich ergötzen und wird deiner Seele sanft tun.
17Tuchtig uw zoon, dan geeft hij u rust, En bezorgt hij u vreugde.
18Wo keine Weissagung ist, wird das Volk wild und wüst; wohl aber dem, der das Gesetz handhabt!
18Is er geen openbaring dan verwildert het volk; Gelukkig is het, als het de Wet onderhoudt!
19Ein Knecht läßt sich mit Worten nicht züchtigen; denn ob er sie gleich versteht, nimmt er sich's doch nicht an.
19Niet met woorden alleen moet ge een slaaf vermanen; Hij verstaat ze wel, maar doet er niet naar.
20Siehst du einen, der schnell ist zu reden, da ist am Narren mehr Hoffnung denn an ihm.
20Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
21Wenn ein Knecht von Jugend auf zärtlich gehalten wird, so will er darnach ein Junker sein.
21Wie zijn slaaf van jongsaf verwent, Wordt tenslotte met ondank beloond.
22Ein zorniger Mann richtet Hader an, und ein Grimmiger tut viel Sünde.
22Een opvliegend karakter sticht ruzie, Een driftkop misdraagt zich vaak.
23Die Hoffart des Menschen wird ihn stürzen; aber der Demütige wird Ehre empfangen.
23Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer.
24Wer mit Dieben teilhat, den Fluch aussprechen hört, und sagt's nicht an, der haßt sein Leben.
24Wie met een dief deelt, is zijn eigen vijand: Omdat hij de vloek hoort, en de zaak toch niet aangeeft
25Vor Menschen sich scheuen bringt zu Fall; wer sich aber auf den HERRN verläßt, wird beschützt.
25Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig.
26Viele suchen das Angesicht eines Fürsten; aber eines jeglichen Gericht kommt vom HERRN.
26Velen dingen naar de gunst van den koning, Maar Jahweh geeft ieder wat hem toekomt.
27Ein ungerechter Mann ist dem Gerechten ein Greuel; und wer rechtes Weges ist, der ist des Gottlosen Greuel.
27De rechtvaardigen hebben een afschuw van zondaars, De bozen een afschuw van een eerlijk man. Aanhangsel. Woorden van Agoer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.