Proverbiorum
Chapter 29
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 29

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Viro qui corripientem dura cervice contemnit, repentinus ei superveniet interitus, et eum sanitas non sequetur.
1Iemand die hardnekkig blijft, ondanks vermaning, Wordt plotseling onherstelbaar gebroken.
2In multiplicatione justorum lætabitur vulgus; cum impii sumpserint principatum, gemet populus.
2Als rechtvaardigen heersen, verheugt zich het volk; Als de boze regeert, zuchten de mensen.
3Vir qui amat sapientiam lætificat patrem suum; qui autem nutrit scorta perdet substantiam.
3Een man, die de wijsheid liefheeft, is een vreugde voor zijn vader; Wie zich ophoudt met deernen, verkwist zijn vermogen.
4Rex justus erigit terram; vir avarus destruet eam.
4Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; Wie veel belastingen heft, put het uit.
5Homo qui blandis fictisque sermonibus loquitur amico suo rete expandit gressibus ejus.
5Iemand die zijn naaste vleit, Spant een strik voor zijn voeten.
6Peccantem virum iniquum involvet laqueus, et justus laudabit atque gaudebit.
6Op het pad van een booswicht ligt een valstrik, Maar de rechtvaardige loopt vrolijk voort.
7Novit justus causam pauperum; impius ignorat scientiam.
7De rechtvaardige houdt rekening met de rechten der armen, De boze echter verstaat geen reden.
8Homines pestilentes dissipant civitatem; sapientes vero avertunt furorem.
8Spotters steken een stad in brand, Wijzen bedaren het oproer.
9Vir sapiens si cum stulto contenderit, sive irascatur, sive rideat, non inveniet requiem.
9Als een dwaas een rechtszaak heeft met een wijze, Is hij luidruchtig en vrolijk, maar heeft geen rust.
10Viri sanguinum oderunt simplicem; justi autem quærunt animam ejus.
10Bloeddorstige mensen haten den deugdzame, De goeden zijn bezorgd voor zijn leven.
11Totum spiritum suum profert stultus; sapiens differt, et reservat in posterum.
11De dwaas laat zijn toorn de vrije loop, De wijze houdt zijn gramschap inl.
12Princeps qui libenter audit verba mendacii, omnes ministros habet impios.
12Als een vorst geloof schenkt aan leugentaal, Worden al zijn dienaren slecht.
13Pauper et creditor obviaverunt sibi: utriusque illuminator est Dominus.
13Een arme en een geldschieter ontmoeten elkaar: Jahweh schenkt beiden het licht der ogen.
14Rex qui judicat in veritate pauperes, thronus ejus in æternum firmabitur.]
14Als een koning de armen billijk behandelt, Staat zijn troon voor altijd sterk.
15[Virga atque correptio tribuit sapientiam; puer autem qui dimittitur voluntati suæ confundit matrem suam.
15Een stok en een vermaning schenken wijsheid; Een kind, dat aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder te schande.
16In multiplicatione impiorum multiplicabuntur scelera, et justi ruinas eorum videbunt.
16Als de bozen regeren, tiert de misdaad; Als zij vallen, zien de rechtvaardigen met vreugde toe.
17Erudi filium tuum, et refrigerabit te, et dabit delicias animæ tuæ.
17Tuchtig uw zoon, dan geeft hij u rust, En bezorgt hij u vreugde.
18Cum prophetia defecerit, dissipabitur populus; qui vero custodit legem beatus est.
18Is er geen openbaring dan verwildert het volk; Gelukkig is het, als het de Wet onderhoudt!
19Servus verbis non potest erudiri, quia quod dicis intelligit, et respondere contemnit.
19Niet met woorden alleen moet ge een slaaf vermanen; Hij verstaat ze wel, maar doet er niet naar.
20Vidisti hominem velocem ad loquendum? stultitia magis speranda est quam illius correptio.
20Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
21Qui delicate a pueritia nutrit servum suum postea sentiet eum contumacem.]
21Wie zijn slaaf van jongsaf verwent, Wordt tenslotte met ondank beloond.
22[Vir iracundus provocat rixas, et qui ad indignandum facilis est erit ad peccandum proclivior.
22Een opvliegend karakter sticht ruzie, Een driftkop misdraagt zich vaak.
23Superbum sequitur humilitas, et humilem spiritu suscipiet gloria.
23Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer.
24Qui cum fure participat odit animam suam; adjurantem audit, et non indicat.
24Wie met een dief deelt, is zijn eigen vijand: Omdat hij de vloek hoort, en de zaak toch niet aangeeft
25Qui timet hominem cito corruet; qui sperat in Domino sublevabitur.
25Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig.
26Multi requirunt faciem principis, et judicium a Domino egreditur singulorum.
26Velen dingen naar de gunst van den koning, Maar Jahweh geeft ieder wat hem toekomt.
27Abominantur justi virum impium, et abominantur impii eos qui in recta sunt via. Verbum custodiens filius extra perditionem erit.]
27De rechtvaardigen hebben een afschuw van zondaars, De bozen een afschuw van een eerlijk man. Aanhangsel. Woorden van Agoer.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.