Proverbiorum 18
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Occasiones quærit qui vult recedere ab amico: omni tempore erit exprobrabilis.
1Wie zich afscheiden wil, zoekt een voorwendsel; Met alle middelen stuurt hij op ruzie aan.
2Non recipit stultus verba prudentiæ, nisi ea dixeris quæ versantur in corde ejus.
2Een domoor houdt niet van wijsheid, Maar zegt toch gaarne zijn mening.
3Impius, cum in profundum venerit peccatorum, contemnit; sed sequitur eum ignominia et opprobrium.
3Met de misdaad komt ook de minachting, Op de schanddaad volgt de smaad.
4Aqua profunda verba ex ore viri, et torrens redundans fons sapientiæ.
4De woorden van sommige mensen zijn diepe wateren, Een bruisende beek, een bron van leven.
5Accipere personam impii non est bonum, ut declines a veritate judicii.]
5Het is onverantwoord, partij te kiezen voor een boosdoener, of een onschuldige voor het gerecht te verdringen.
6[Labia stulti miscent se rixis, et os ejus jurgia provocat.
6Wat een dwaas zegt, leidt tot twist; Zijn mond roept om slaag.
7Os stulti contritio ejus, et labia ipsius ruina animæ ejus.
7Wat een dwaas zegt, stort hem in het ongeluk; Zijn woorden zijn een valstrik voor hemzelf.
8Verba bilinguis quasi simplicia, et ipsa perveniunt usque ad interiora ventris. Pigrum dejicit timor; animæ autem effeminatorum esurient.
8Woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepste van de maag.
9Qui mollis et dissolutus est in opere suo frater est sua opera dissipantis.
9Wie ook maar slap is in zijn werk, Is al een broer van de vernielgeest.
10Turris fortissima nomen Domini; ad ipsum currit justus, et exaltabitur.
10De naam van Jahweh is een sterke burcht; De rechtvaardige ijlt erheen, en is veilig.
11Substantia divitis urbs roboris ejus, et quasi murus validus circumdans eum.
11Het vermogen is voor den rijke een sterke vesting, In zijn verbeelding een hoge muur.
12Antequam conteratur, exaltatur cor hominis, et antequam glorificetur, humiliatur.
12Vóór de val is men hooghartig, Maar aan de eer gaat ootmoed vooraf.
13Qui prius respondet quam audiat, stultum se esse demonstrat, et confusione dignum.
13Geeft iemand antwoord, eer hij heeft geluisterd, Dan strekt hem dit tot dwaasheid en schande.
14Spiritus viri sustentat imbecillitatem suam; spiritum vero ad irascendum facilem quis poterit sustinere?
14Geestkracht houdt iemand staande in zijn lijden, Maar wie beurt een gebroken geest weer op?
15Cor prudens possidebit scientiam, et auris sapientium quærit doctrinam.]
15Een verstandig hart doet inzicht op, Het oor der wijzen spitst zich op kennis.
16[Donum hominis dilatat viam ejus, et ante principes spatium ei facit.
16Een geschenk verschaft iemand ruimte, Het geeft hem toegang tot de groten.
17Justus prior est accusator sui: venit amicus ejus, et investigabit eum.
17Wie het eerst zijn zaak bepleit, krijgt gelijk; Maar dan komt zijn buur en zet hem recht.
18Contradictiones comprimit sors, et inter potentes quoque dijudicat.
18Het lot maakt een einde aan twisten, En scheidt machtigen van elkaar.
19Frater qui adjuvatur a fratre quasi civitas firma, et judicia quasi vectes urbium.
19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een sterke vesting; Ruzie is als de grendel van een burcht.
20De fructu oris viri replebitur venter ejus, et genimina labiorum ipsius saturabunt eum.
20Door de vrucht van de mond wordt iemands maag gevuld; Van de oogst zijner lippen wordt hij verzadigd
21Mors et vita in manu linguæ; qui diligunt eam comedent fructus ejus.
21Dood en leven zijn in de macht van de tong; Wie haar veel gebruikt, moet haar vrucht dan ook eten.
22Qui invenit mulierem bonam invenit bonum, et hauriet jucunditatem a Domino. Qui expellit mulierem bonam expellit bonum; qui autem tenet adulteram stultus est et impius.
22Wie een vrouw heeft gevonden, heeft iets goeds gevonden, En de gunst van Jahweh gewonnen.
23Cum obsecrationibus loquetur pauper, et dives effabitur rigide.
23Al klaagt een arme nog zo smekend, De rijke antwoordt met hardheid.
24Vir amabilis ad societatem magis amicus erit quam frater.]
24Er zijn makkers, die iemand in het ongeluk storten; Maar ook vrienden, die aanhankelijker zijn dan een broer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.